De stopnaald

De stopnaald

Er was eens een stopnaald die zich zo verschrikkelijk voelde, dat ze zich verbeeldde een naainaald te zijn. Kijk maar eens goed wat je vasthoudt! zei de stopnaald tot de vingers die haar te voorschijn haalden. Verlies me niet! Als ik op de grond val word ik misschien nooit teruggevonden, zo fijn ben ik! Er zijn grenzen! zeiden de vingers en toen pakten ze haar stevig beet. Kijk, ik kom met groot gevolg! zei de stopnaald en zij trok een lange draad achter zich aan, maar er zat geen knoop in. De vingers stuurden de naald in de richting van de pantoffel van de keukenmeid, waar het bovenleer van was gebarsten en nu genaaid moest worden. Dat is minderwaardig werk! zei de stopnaald. Ik kom er nooit door! Ik breek! Ik breek! En toen brak ze! Zei ik het niet! zei de stopnaald, ik ben te fijn! Nu deugt zij voor niets meer, meenden de vingers, maar ze moesten haar toch vasthouden, de keukenmeid druppelde lak op haar en stak haar op haar schort. Kijk, nu ben ik een broche geworden! zei de stopnaald. Ik wist wel dat ik het tot iets eervols zou brengen; wanneer men iets is, komt er altijd iets van iemand terecht! En toen lachte zij in haar binnenste, want men kan nooit van buiten aan een stopna
6.9/10 - 10 stemmen