NEDERLANDS

Het lelijke jonge eendje

ENGLISH

The ugly duckling


Het was zomer en zó heerlijk buiten op het land! Het graan was goudgeel, de haver groen, het hooi stond in oppers op de groene weiden en daar liep de ooievaar op zijn lange rode benen en klepperde Egyptisch, want die taal had hij van zijn moeder geleerd. Rondom de akkers en de weiden waren er grote bossen en midden in die bossen diepe meren; ja, het was werkelijk heerlijk daar buiten op het land!

Midden in de zonneschijn lag een oud landgoed met diepe grachten er omheen en van de muren tot aan het water groeiden de bladeren van het groot hoefblad, die zo hoog waren, dat kleine kinderen er rechtop onder konden staan: het was er net zo wild als in het dichtste bos. Daar zat een eend op haar nest; zij moest haar kuikentjes uitbroeden, maar nu had ze er heus genoeg van, omdat het te lang duurde en ze maar zo zelden bezoek kreeg. De andere eenden hielden er meer van rond te zwemmen in de grachten, dan onder een zuringblad met haar te zitten snateren.

Eindelijk sprong het ene ei na het andere open: "piep, piep," klonk het; alle eierdooiers waren levend geworden en staken het kopje naar buiten.

"Vlug! Vlug!" zei ze en ze repten zich wat ze konden en keken naar alle kanten. De moeder liet ze kijken zoveel ze maar wilden, want groen is goed voor de ogen.

"Wat is de wereld toch groot!" zeiden de jonge eendjes, want ze hadden nu heel wat meer plaats, dan toen ze in het ei zaten.

"Denken jullie, dat dit de hele wereld is?" zei de moedereend, "die strekt zich nog heel ver uit aan de andere kant van de tuin, tot op het erf van de dominee, maar daar ben ik nooit geweest. Ik heb jullie hier toch wel allemaal bij elkaar?" De moedereend stond op en zei: "Neen, ik heb ze niet allemaal. Het grootste ei ligt er nog; hoe lang zal dat nog duren? Nu heb ik er toch gauw genoeg van!" En ze ging weer op het nest zitten.

"Wel, hoe gaat het, buurvrouw?" zei een oude eend, die op visite kwam.

"Het duurt zo lang met dat ene ei," zei de eend, die op het nest zat. "Er wil maar geen gat in komen. Maar nu moet je de anderen eens zien. Zijn het niet de liefste eendjes van de wereld " Ze lijken allemaal op hun vader, die booswicht! Die komt me niet eens feliciteren." - "Laat me dat ei eens zien, dat niet wil barsten," zei de oude eend. "Je kunt ervan op aan, dat het een kalkoenei is. Ik ben ook eens zo voor de mal gehouden, maar ik zal je vertellen, dat ik heel wat had uit te staan met de jongen, want ze zijn bang voor het water. Ik kon ze er maar niet in krijgen; ik kwaakte en snaterde, maar het hielp niet! " Laat mij dat ei eens zien! Ja zeker, dat is een kalkoenei. Laat hem liggen en leer de andere kinderen zwemmen!"

"Ik wil er toch nog een beetje op blijven zitten!" zei de moedereend. "Ik heb er nu toch al zo lang op gezeten."

"Ga je gang!" sprak de oude eend en ging weg.

Eindelijk barstte het grote ei. "Piep! Piep!" zei het jong en waggelde naar buiten, want het was erg groot en lelijk. De moedereend keek ernaar en zei: "Je bent een vreselijk groot eendenjong. Geen van de anderen ziet er zo uit. Het zal toch geen kalkoenkuiken zijn? Daar zullen we gauw achter komen. In het water moet hij, al moet ik hem er zelf intrappen!"

De volgende dag was het heerlijk weer, de zon scheen op alle groene zuringplanten. De moedereend ging met haar hele gezin naar de gracht toe. Plons! Zij sprong in het water en riep: "Vlug! Vlug!" en het ene jonge eendje na het andere plompte er in; het water sloeg hen over het hoofd, maar ze kwamen dadelijk weer boven en dreven zo heerlijk, de pootjes gingen vanzelf. Ze waren er allemaal in; zelfs het lelijke grijze eendje zwom mee.

"Neen, dat is geen kalkoen!" zei ze. "Kijk eens, hoe mooi hij zijn poten gebruikt en wat houdt hij zich recht. Dat is mijn eigen jong. Hij is toch eigenlijk heel aardig, als je hem goed bekijkt. Vlug! Vlug! Kom met me mee, dan zal ik jullie in de wereld brengen en je voorstellen op het eendenveldje, maar jullie moeten altijd vlak bij me blijven, zodat niemand op je trapt, en pas op voor de kat!" En zo kwamen ze op het eendenveldje. Daar heerste een vreselijk lawaai, want er waren twee gezinnen, die om een palingkop vochten, en tenslotte kreeg de kat hem nog.

{{andersen/hcaev025_01.jpg||midden}}
"Kijk, zo gaat het nu in de wereld," zei de moedereend en likte zich de snavel af, want zij wou ook de palingkop wel hebben. "Gebruik nu je poten," zei ze. "Zorg, dat je mooi kwaakt en buig met je hals voor die oude eend daar; ze is de voornaamste van allen hier. Ze is van adel, daarom is ze dik; en zie je wel, dat ze een rood bandje om haar poot heeft? Dat is iets heel moois en de hoogste onderscheiding die een eend kan krijgen. Dat betekent zoveel als dat men haar niet kwijt wil raken en dat alle mensen en dieren haar zullen herkennen. Vooruit nu! Niet met je poten naar binnen. Een welopgevoede jonge eend zet zijn poten ver uit elkaar, net als vader en moeder. Kijk zo! Buig nu met je hals en zeg: Kwaak!"

En dat deden ze; de andere eenden er om heen keken naar hen en zeiden heel luid: "Het is wat moois! Nu krijgen we dat stel er nog bij, alsof er nog niet genoeg zijn! En foei, wat ziet dat ene jong er uit! Dat laten we niet toe!" En onmiddellijk vloog er een eend op hem af en beet hem in zijn nek.

"Laat hem met rust!" zei de moedereend, "hij doet toch niemand kwaad!"

"Ja, maar hij is zo groot en zo raar," sprak de eend, die gebeten had, "en daarom moeten we hem mores leren!"

"U hebt mooie kinderen, moeder!" zei de oude eend met het bandje om haar poot. "Ze zijn allemaal mooi, op één na, die is mislukt. Ik wou, dat U hem over kon maken!"

"Dat gaat niet, Uw genade!" antwoordde de moedereend. "Hij is niet mooi, maar hij heeft een echt goed karakter en zwemt net zo goed als een van de anderen, ja, ik durf zelfs zeggen een beetje beter. Ik denk, dat hij er wel doorheen zal groeien en mettertijd wat slanker zal worden. Hij heeft te lang in het ei gezeten en daarom heeft hij nog niet het goede figuur!" En zij plukte hem in zijn nek en streek zijn veren glad. "Bovendien is het een woerd," zei ze, "en het doet er dus niet zo veel toe, ik geloof dat hij sterk zal worden; hij zal zich er heus wel doorheen slaan!"

"De andere eendjes zijn aardig," zei de oude eend. "Doe alsof je thuis bent en als je een palingkop vindt, mag je me die brengen!" En zo was het net alsof ze thuis waren.

Maar het arme eendje, dat het laatst uit het ei was gekropen en zo lelijk was, werd gebeten en geduwd en voor de gek gehouden. "Hij is te groot!" zeiden ze allemaal, en de kalkoense haan, die met sporen was geboren en zich daarom verbeeldde dat hij keizer was, blies zich op als een schip met volle zeilen, vloog op hem af en kakelde, dat hij er een rood hoofd van kreeg.

Het arme eendje wist zich niet te bergen, het was erg bedroefd, omdat het er zo lelijk uitzag en bespot werd door de hele eendenhof. Zo ging het de eerste dag en het werd hoe langer hoe erger. De arme jonge eend werd door alle andere opgejaagd, zelfs zijn eigen broertjes en zusjes deden lelijk tegen hem en ze zeiden maar steeds: "Nam de kat je maar mee, lelijk spektakel!" De moeder zei: "Was je maar heel ver weg!" en de eenden beten hem en de kippen pikten hem en het meisje, dat de dieren kwam voeren, schopte hem.

Toen liep hij weg en vloog over de omheining; de vogeltjes in de bosjes vlogen verschrikt op. "Dat is omdat ik zo lelijk ben!" dacht het eendje en deed zijn ogen dicht; maar hij liep toch maar weg.

Zo kwam hij in een grote plas, waar de wilde eenden woonden. Daar lag hij de hele nacht, want hij was toch zo moe en verdrietig. Tegen de morgen vlogen de wilde eenden op en zagen de nieuwe kameraad.

"Wat ben jij voor iemand?" vroegen ze en het eendje draaide zich naar alle kanten en groette zo goed hij kon.

"Je bent foeilelijk!" zeiden de wilde eenden. "Maar dat is ons om het even, als je maar niet in onze familie trouwt." De stakker! Hij dacht in het geheel niet aan trouwen, als hij maar in het riet mocht liggen en wat water uit de plas mocht drinken.

Daar lag hij twee dagen lang; toen kwamen er twee wilde mannetjesganzen. Ze waren nog niet heel lang uit het ei en daarom waren ze zo kwiek.

"Hoor eens kameraad," zeiden ze, "je bent zo lelijk, dat we je wel mogen. Wil je meegaan en een trekvogel worden? Dicht hierbij, in een andere plas, zijn aardige lieve wilde ganzen, allemaal wijfjes. Je kunt daar je geluk beproeven, hoe lelijk je ook bent."

"Pief, paf!" klonk het plotseling boven hen en beide wilde ganzen vielen dood neer in het riet; het water werd bloedrood. "Pief, paf!*" klonk het weer; hele troepen wilde ganzen vlogen op uit het riet en toen knalde het weer. Er werd een grote jacht gehouden; de jagers lagen om de plas heen, sommigen zaten zelfs op de takken van de bomen, die zich ver over het riet uitstrekten. De blauwe damp dreef als een wolk tussen de donkere bomen en bleef hangen boven het water; de jachthonden kwamen door de modder gelopen, plas, plas, zodat biezen en riet naar alle kanten uit elkaar bogen. Tot grote schrik van het arme eendje; hij draaide zijn kop om hem onder zijn vleugels te steken en op hetzelfde ogenblik stond vlakbij een vreselijk grote hond; zijn tong hing hem ver uit de bek en zijn ogen fonkelden. Hij hapte naar het eendje, liet zijn scherpe tanden zien, en plas, plas, ging hij verder, zonder de eend mee te nemen. "De hemel zij dank!" zuchtte het eendje. "Ik ben zo lelijk, dat zelfs de hond me niet wil bijten"

En hij bleef stil liggen, terwijl de hagelkorrels door het riet suisden en het ene schot na het andere klonk.

De dag was al een heel eind verstreken voor het stil werd, maar het arme eendje durfde nog niet op te staan; hij wachtte nog enige uren voor hij rondkeek en toen liep hij zo hard hij kon weg uit de plas. En hij bleef maar lopen, door de wei en over stoppelveldjes. Er stond zo'n wind, dat hij moeite had vooruit te komen.

Tegen de avond kwam hij aan een armoedig boerenhuis; dit was zo bouwvallig, dat het zelf niet wist naar welke kant het zou vallen en zodoende bleef het staan. De wind gierde zo om het eendje heen, dat hij moest gaan zitten om niet weg te waaien. Het werd hoe langer hoe erger, maar toen merkte hij, dat de deur uit het hengsel hing, zo scheef, dat 't eendje door de spleet naar binnen kon sluipen.

Hier woonde een oude vrouw met haar kat en haar kip; de kat, die ze "Zoontje" noemde, kon een hoge rug opzetten en blazen; hij kon ook vonken schieten, maar dan moest men hem tegen de draad in over zijn haren strijken. De kip had heel kleine, korte poten en daarom werd ze "Kukeleku-kortbeen" genoemd; ze legde veel eieren en de vrouw hield van haar als van haar eigen kind. In de ochtend ontdekte men het vreemde eendje dadelijk, de kat begon te blazen en de kip te kakelen.

"Wat is er aan de hand?" zei de vrouw en keek rond, maar ze kon niet erg goed zien en daarom dacht ze, dat het eendje een verdwaalde vette eend was. "Dat is een zeldzame vangst!" zei ze. "Nu kan ik eendeneieren krijgen, als het maar geen woerd is. Dat moeten we eens onderzoeken."

En zo werd het eendje voor drie weken op proef genomen, maar er kwam geen ei. De kat was de heer des huizes en de kip was de mevrouw en ze zeiden maar steeds: "Wij en de wereld," want ze meenden, dat ze de helft ervan waren en nog wel het allerbeste deel. Het eendje vond, dat men van een andere mening kon zijn, maar dat duldde de kip niet.

"Kun je eieren leggen?" vroeg ze.

"Nee!"

"Wil je dan je snavel wel eens houden!"

En de kat zei: "Kun je een hoge rug opzetten, blazen en vonken schieten?"

"Nee!"

"Dan mag je geen mening hebben als anderen praten!"

En het eendje zat in een hoekje en had het land. Toen ging hij denken aan de frisse lucht en de zonneschijn; hij kreeg zo'n erge zin om op het water te drijven, dat hij tenslotte niet kon laten om het tegen de kip te zeggen.

"Wat bezielt je?" vroeg deze.?Je hebt niets te doen, daarom krijg je die nukken. Leg eieren of blaas, dan gaat het over!"

"Maar het is zo heerlijk om op het water te drijven," zei het eendje. "Het is heerlijk om het water over je kop te krijgen en naar de bodem te duiken."

"Ja, dat is heel plezierig!" zei de kip. "Je bent, geloof ik, gek geworden. Vraag eens aan de kat, hij is de knapste die ik ken, of hij er van houdt op het water te drijven of onder te duiken. Over mezelf wil ik niet spreken. Vraag het onze meesteres, de oude vrouw. Er is niemand ter wereld zo verstandig als zij! Denk je, dat ze er plezier in heeft te drijven en water over haar hoofd te krijgen?" - "Jullie begrijpen het niet!" zei het eendje.

"Als wij je niet begrijpen, wie dan wel? Je wilt toch niet verstandiger zijn dan de kat en de vrouw, om van mezelf te zwijgen? Snij niet zo op, kind, en dank je Schepper voor al het goede, dat Hij voor je heeft gedaan. Ben je niet in een warme kamer gekomen en heb je geen omgang, waarvan je wat kunt leren? Maar je praat onzin en het is niet leuk om met je om te gaan. Mij kun je geloven, ik meen het goed met je; ik zeg je onaangename dingen en daardoor leert men zijn ware vrienden kennen! Zorg nu maar, dat je eieren legt en leer blazen of vonken schieten! Dan ben je tenminste iemand."

"Ik geloof, dat ik de wijde wereld maar in ga," sprak het eendje.

"Ja, doe dat!" zei de kip.

En zo ging het eendje weg; hij dreef op het water, hij dook onder, maar omdat hij zo lelijk was, lieten alle dieren hem links liggen. Het najaar brak aan, de bladeren in de bossen werden geel en bruin, de wind kreeg ze te pakken, zodat ze ronddansten, en daarboven in de lucht zag het er koud uit; de wolken voorspelden hagel en sneeuw en op een hek stond de raaf en riep: "Au! Au!" van louter kou. Het was om te bevriezen; het arme eendje had het werkelijk niet best.

Op een avond, toen de zon prachtig onderging, kwam er een hele zwerm mooie grote vogels uit de bosjes. Het eendje had nog nooit zulke mooie vogels gezien: ze waren glanzend wit met lange buigzame halzen; het waren zwanen. Ze maakten een heel vreemd geluid, spreidden hun prachtige lange vleugels uit en vlogen weg uit de koude streken naar warme landen, naar meren, die niet bevroren waren. Ze stegen zo hoog, zo hoog, dat het het eendje bijna teveel werd; hij draaide als een rad in het rond op het water, rekte zijn hals ver uit naar de zwanen en stiet een kreet uit, zo hard en vreemd, dat hij er zelf bang van werd. O, hij kon die mooie, gelukkige vogels niet vergeten. Toen hij ze uit het gezicht verloren had, dook hij heel tot op de bodem en weer boven gekomen, was hij helemaal buiten zichzelf. Hij wist niet hoe de vogels heetten en waarheen ze vlogen, maar toch hield hij van ze, zoals hij nog nooit van iemand had gehouden. Hij was helemaal niet jaloers op die vogels: het kwam niet bij het eendje op zich zoiets heerlijks te wensen; hij zou al best blij zijn, dat arme lelijke dier, als de eenden hem in hun midden hadden geduld.

En het werd toch zo'n koude winter; het eendje moest in het water rondzwemmen om te maken, dat dit niet helemaal dichtvroor, maar elke nacht werd het gat, waarin hij rondzwom, kleiner; het vroor dat het kraakte, het eendje moest aldoor zijn poten gebruiken om te maken, dat het water niet helemaal dicht raakte; tenslotte werd hij moe, lag heel stil en vroor zo vast in het ijs.

In de vroege morgen kwam er een boer, die het eendje zag; hij sloeg met zijn klomp het ijs stuk en droeg het beest naar huis, naar zijn vrouw. Daar kwam het weer bij. De kinderen wilden ermee spelen, maar het eendje dacht, dat ze hem kwaad wilden doen en kwam in zijn angst in het melkvat terecht, zodat de melk in de kamer rondspatte; de vrouw gilde met haar handen in de hoogte, en toen vloog het in het botervat en daarna in de meelton. Wat zag hij er uit!

De vrouw gilde weer, ze sloeg ernaar met de tang en de kinderen liepen elkaar omver om het eendje te vangen, ze lachten en schreeuwden! Gelukkig maar, dat de deur openstond; het eendje vloog naar buiten, tussen de bosjes door in de vers gevallen sneeuw, en daar lag het als in een winterslaap.

Maar het zou al te droevig worden als ik vertelde over de nood en de ontbering, die de eend moest doorstaan in die harde winter. Hij lag in de plas tussen het riet, toen de zon weer warm begon te schijnen: de leeuweriken zongen, het was heerlijk voorjaar.

Toen sloeg het eendje ineens zijn vleugels uit, ze ruisten sterker dan vroeger en droegen hem met kracht voort, en vóór hij het wist, bevond hij zich in een grote tuin, waar de appelbomen in bloei stonden en de seringen aan lange groene takken over de sloten hingen, Hier was het toch zo heerlijk, zo fris, zo voorjaarsachtig!

Dichtbij kwamen drie mooie witte zwanen uit het kreupelhout; zij ruisten met hun veren en dreven licht op het water. Het eendje kende de prachtige dieren en werd door een vreemde droefheid bevangen.

"Ik wil naar die koninklijke vogels toevliegen en ze zullen me doodbijten, omdat ik, die zo lelijk ben, hen durf naderen. Maar dat doet er niet toe! Beter door hen te worden gedood, dan te worden gebeten door de eenden, gepikt door de kippen en geschopt door het meisje, dat op de hoenderhof past, en 's winters gebrek te lijden."

Het eendje vloog het water in en zwom naar de prachtige zwanen toe, die met ruisende vleugels op het eendje toeschoten. "Dood me maar!" zei het arme dier, boog de kop naar het wateroppervlak en wachtte de dood af. Maar wat zag het in het heldere water? Zijn spiegelbeeld! Maar hij was geen lompe, zwartgrijze, lelijke vogel meer; hij was zelf een zwaan!

Het doet er niet toe of men in een eendenhof is geboren, als men maar uit een zwanenei gekomen is.

Hij was blij om alle nood en wederwaardigheden, die hij had beleefd; nu waardeerde hij juist het geluk dat hem ten deel viel. De grote zwanen zwommen om hun nieuwe makker heen en streelden hem met hun snavels.

Er kwamen kleine kinderen de tuin in, ze gooiden brood en graan in het water en de kleinste riep: "Er is een nieuwe!" En de andere kinderen jubelden mee: "Ja, er is een nieuwe gekomen!" en ze klapten in de handen, ze dansten in het rond en liepen naar hun vader en moeder. Er werden brood en koekjes in het water gegooid en ze zeiden allemaal: "De nieuwe is de mooiste! Zo jong en zo prachtig!" En de oude zwanen bogen diep voor hem.

Toen voelde hij zich erg verlegen en stak z'n kop onder de vleugels; hij wist niet hoe hij het had, hij was al te gelukkig, maar helemaal niet trots, want een goed hart wordt nooit trots. Hij dacht er aan hoe hij was vervolgd en gehoond en hoorde nu iedereen zeggen, dat hij de prachtigste van alle prachtige vogels was. En de seringen bogen met hun takken tot in het water naar de jonge zwaan toe en de zon scheen zo warm en zo goed. Toen ruisten zijn veren, de slanke hals verhief zich en uit de grond van zijn hart jubelde hij: "Van zoveel geluk heb ik niet gedroomd, toen ik het lelijke jonge eendje was!"
It was lovely summer weather in the country, and the golden corn, the green oats, and the haystacks piled up i the meadows looked beautiful. The stork walking about on his long red legs chattered in the Egyptian language which he had learnt from his mother. The corn-fields and meadows were surrounded by large forests, in the mids of which were deep pools. It was, indeed, delightful to walk about in the country. In a sunny spot stood a pleasan old farm-house close by a deep river, and from the house down to the water side grew great burdock leaves, s high, that under the tallest of them a little child could stand upright. The spot was as wild as the centre of a thic wood. In this snug retreat sat a duck on her nest, watching for her young brood to hatch; she was beginning to ge tired of her task, for the little ones were a long time coming out of their shells, and she seldom had any visitors. Th other ducks liked much better to swim about in the river than to climb the slippery banks, and sit under a burdoc leaf, to have a gossip with her

At length one shell cracked, and then another, and from each egg came a living creature that lifted its head and cried, "Peep, peep."

"Quack, quack," said the mother, and then they all quacked as well as they could, and looked about them on every side at the large green leaves. Their mother allowed them to look as much as they liked, because green is good for the eyes.

"How large the world is," said the young ducks, when they found how much more room they now had than while they were inside the egg-shell.

"Do you imagine this is the whole world?" asked the mother; "Wait till you have seen the garden; it stretches far beyond that to the parson's field, but I have never ventured to such a distance. Are you all out?" she continued, rising; "No, I declare, the largest egg lies there still. I wonder how long this is to last, I am quite tired of it;" and she seated herself again on the nest.

"Well, how are you getting on?" asked an old duck, who paid her a visit.

"One egg is not hatched yet," said the duck, "it will not break. But just look at all the others, are they not the prettiest little ducklings you ever saw? They are the image of their father, who is so unkind, he never comes to see."

"Let me see the egg that will not break," said the duck; "I have no doubt it is a turkey's egg. I was persuaded to hatch some once, and after all my care and trouble with the young ones, they were afraid of the water. I quacked and clucked, but all to no purpose. I could not get them to venture in. Let me look at the egg. Yes, that is a turkey's egg; take my advice, leave it where it is and teach the other children to swim."

"I think I will sit on it a little while longer," said the duck; "as I have sat so long already, a few days will be nothing."

"Please yourself," said the old duck, and she went away.

At last the large egg broke, and a young one crept forth crying, "Peep, peep." It was very large and ugly. The duck stared at it and exclaimed, "It is very large and not at all like the others. I wonder if it really is a turkey. We shall soon find it out, however when we go to the water. It must go in, if I have to push it myself."

On the next day the weather was delightful, and the sun shone brightly on the green burdock leaves, so the mother duck took her young brood down to the water, and jumped in with a splash. "Quack, quack," cried she, and one after another the little ducklings jumped in. The water closed over their heads, but they came up again in an instant, and swam about quite prettily with their legs paddling under them as easily as possible, and the ugly duckling was also in the water swimming with them.

"Oh," said the mother, "that is not a turkey; how well he uses his legs, and how upright he holds himself! He is my own child, and he is not so very ugly after all if you look at him properly. Quack, quack! come with me now, I will take you into grand society, and introduce you to the farmyard, but you must keep close to me or you may be trodden upon; and, above all, beware of the cat."

When they reached the farmyard, there was a great disturbance, two families were fighting for an eel's head, which, after all, was carried off by the cat.

"See, children, that is the way of the world," said the mother duck, whetting her beak, for she would have liked the eel's head herself. "Come, now, use your legs, and let me see how well you can behave. You must bow your heads prettily to that old duck yonder; she is the highest born of them all, and has Spanish blood, therefore, she is well off. Don't you see she has a red flag tied to her leg, which is something very grand, and a great honor for a duck; it shows that every one is anxious not to lose her, as she can be recognized both by man and beast. Come, now, don't turn your toes, a well-bred duckling spreads his feet wide apart, just like his father and mother, in this way; now bend your neck, and say 'quack.'"

The ducklings did as they were bid, but the other duck stared, and said, "Look, here comes another brood, as if there were not enough of us already! and what a queer looking object one of them is; we don't want him here," and then one flew out and bit him in the neck.

"Let him alone," said the mother; "he is not doing any harm."

"Yes, but he is so big and ugly," said the spiteful duck "and therefore he must be turned out."

"The others are very pretty children," said the old duck, with the rag on her leg, "all but that one; I wish his mother could improve him a little."

"That is impossible, your grace," replied the mother; "he is not pretty; but he has a very good disposition, and swims as well or even better than the others. I think he will grow up pretty, and perhaps be smaller; he has remained too long in the egg, and therefore his figure is not properly formed;" and then she stroked his neck and smoothed the feathers, saying, "It is a drake, and therefore not of so much consequence. I think he will grow up strong, and able to take care of himself."

"The other ducklings are graceful enough," said the old duck. "Now make yourself at home, and if you can find an eel's head, you can bring it to me."

And so they made themselves comfortable.

But the poor duckling, who had crept out of his shell last of all, and looked so ugly, was bitten and pushed and made fun of, not only by the ducks, but by all the poultry. "He is too big," they all said, and the turkey cock, who had been born into the world with spurs, and fancied himself really an emperor, puffed himself out like a vessel in full sail, and flew at the duckling, and became quite red in the head with passion, so that the poor little thing did not know where to go, and was quite miserable because he was so ugly and laughed at by the whole farmyard.

So it went on from day to day till it got worse and worse. The poor duckling was driven about by every one; even his brothers and sisters were unkind to him, and would say, "Ah, you ugly creature, I wish the cat would get you," and his mother said she wished he had never been born. The ducks pecked him, the chickens beat him, and the girl who fed the poultry kicked him with her feet.

So at last he ran away, frightening the little birds in the hedge as he flew over the palings. "They are afraid of me because I am ugly," he said. So he closed his eyes, and flew still farther, until he came out on a large moor, inhabited by wild ducks. Here he remained the whole night, feeling very tired and sorrowful.

In the morning, when the wild ducks rose in the air, they stared at their new comrade. "What sort of a duck are you?" they all said, coming round him. He bowed to them, and was as polite as he could be, but he did not reply to their question.

"You are exceedingly ugly," said the wild ducks, "but that will not matter if you do not want to marry one of our family." Poor thing! he had no thoughts of marriage; all he wanted was permission to lie among the rushes, and drink some of the water on the moor.

After he had been on the moor two days, there came two wild geese, or rather goslings, for they had not been out of the egg long, and were very saucy.

"Listen, friend," said one of them to the duckling, "you are so ugly, that we like you very well. Will you go with us, and become a bird of passage? Not far from here is another moor, in which there are some pretty wild geese, all unmarried. It is a chance for you to get a wife; you may be lucky, ugly as you are."

"Pop, pop," sounded in the air, and the two wild geese fell dead among the rushes, and the water was tinged with blood. "Pop, pop," echoed far and wide in the distance, and whole flocks of wild geese rose up from the rushes. The sound continued from every direction, for the sportsmen surrounded the moor, and some were even seated on branches of trees, overlooking the rushes. The blue smoke from the guns rose like clouds over the dark trees, and as it floated away across the water, a number of sporting dogs bounded in among the rushes, which bent beneath them wherever they went. How they terrified the poor duckling! He turned away his head to hide it under his wing, and at the same moment a large terrible dog passed quite near him. His jaws were open, his tongue hung from his mouth, and his eyes glared fearfully. He thrust his nose close to the duckling, showing his sharp teeth, and then, "splash, splash," he went into the water without touching him.

"Oh," sighed the duckling, "how thankful I am for being so ugly; even a dog will not bite me."

And so he lay quite still, while the shot rattled through the rushes, and gun after gun was fired over him.

It was late in the day before all became quiet, but even then the poor young thing did not dare to move. He waited quietly for several hours, and then, after looking carefully around him, hastened away from the moor as fast as he could. He ran over field and meadow till a storm arose, and he could hardly struggle against it.

Towards evening, he reached a poor little cottage that seemed ready to fall, and only remained standing because it could not decide on which side to fall first. The storm continued so violent, that the duckling could go no farther; he sat down by the cottage, and then he noticed that the door was not quite closed in consequence of one of the hinges having given way. There was therefore a narrow opening near the bottom large enough for him to slip through, which he did very quietly, and got a shelter for the night.

A woman, a tom cat, and a hen lived in this cottage. The tom cat, whom the mistress called, "My little son," was a great favorite; he could raise his back, and purr, and could even throw out sparks from his fur if it were stroked the wrong way. The hen had very short legs, so she was called "Chickie short legs." She laid good eggs, and her mistress loved her as if she had been her own child.

In the morning, the strange visitor was discovered, and the tom cat began to purr, and the hen to cluck.

"What is that noise about?" said the old woman, looking round the room, but her sight was not very good; therefore, when she saw the duckling she thought it must be a fat duck, that had strayed from home. "Oh what a prize!" she exclaimed, "I hope it is not a drake, for then I shall have some duck's eggs. I must wait and see."

So the duckling was allowed to remain on trial for three weeks, but there were no eggs. Now the tom cat was the master of the house, and the hen was mistress, and they always said, "We and the world," for they believed themselves to be half the world, and the better half too. The duckling thought that others might hold a different opinion on the subject, but the hen would not listen to such doubts.

"Can you lay eggs?" she asked.

"No."

"Then have the goodness to hold your tongue."

"Can you raise your back, or purr, or throw out sparks?" said the tom cat.

"No."

"Then you have no right to express an opinion when sensible people are speaking."

So the duckling sat in a corner, feeling very low spirited, till the sunshine and the fresh air came into the room through the open door, and then he began to feel such a great longing for a swim on the water, that he could not help telling the hen.

"What an absurd idea," said the hen. "You have nothing else to do, therefore you have foolish fancies. If you could purr or lay eggs, they would pass away."

"But it is so delightful to swim about on the water," said the duckling, "and so refreshing to feel it close over your head, while you dive down to the bottom."

"Delightful, indeed!" said the hen, "why you must be crazy! Ask the cat, he is the cleverest animal I know, ask him how he would like to swim about on the water, or to dive under it, for I will not speak of my own opinion; ask our mistress, the old woman– there is no one in the world more clever than she is. Do you think she would like to swim, or to let the water close over her head?"

"You don't understand me," said the duckling.

"We don't understand you? Who can understand you, I wonder? Do you consider yourself more clever than the cat, or the old woman? I will say nothing of myself. Don't imagine such nonsense, child, and thank your good fortune that you have been received here. Are you not in a warm room, and in society from which you may learn something. But you are a chatterer, and your company is not very agreeable. Believe me, I speak only for your own good. I may tell you unpleasant truths, but that is a proof of my friendship. I advise you, therefore, to lay eggs, and learn to purr as quickly as possible."

"I believe I must go out into the world again," said the duckling.

"Yes, do," said the hen.

So the duckling left the cottage, and soon found water on which it could swim and dive, but was avoided by all other animals, because of its ugly appearance.

Autumn came, and the leaves in the forest turned to orange and gold. Then, as winter approached, the wind caught them as they fell and whirled them in the cold air. The clouds, heavy with hail and snow-flakes, hung low in the sky, and the raven stood on the ferns crying, "Croak, croak." It made one shiver with cold to look at him. All this was very sad for the poor little duckling.

One evening, just as the sun set amid radiant clouds, there came a large flock of beautiful birds out of the bushes. The duckling had never seen any like them before. They were swans, and they curved their graceful necks, while their soft plumage shown with dazzling whiteness. They uttered a singular cry, as they spread their glorious wings and flew away from those cold regions to warmer countries across the sea. As they mounted higher and higher in the air, the ugly little duckling felt quite a strange sensation as he watched them. He whirled himself in the water like a wheel, stretched out his neck towards them, and uttered a cry so strange that it frightened himself. Could he ever forget those beautiful, happy birds; and when at last they were out of his sight, he dived under the water, and rose again almost beside himself with excitement. He knew not the names of these birds, nor where they had flown, but he felt towards them as he had never felt for any other bird in the world. He was not envious of these beautiful creatures, but wished to be as lovely as they. Poor ugly creature, how gladly he would have lived even with the ducks had they only given him encouragement.

The winter grew colder and colder; he was obliged to swim about on the water to keep it from freezing, but every night the space on which he swam became smaller and smaller. At length it froze so hard that the ice in the water crackled as he moved, and the duckling had to paddle with his legs as well as he could, to keep the space from closing up. He became exhausted at last, and lay still and helpless, frozen fast in the ice.

Early in the morning, a peasant, who was passing by, saw what had happened. He broke the ice in pieces with his wooden shoe, and carried the duckling home to his wife. The warmth revived the poor little creature.

But when the children wanted to play with him, the duckling thought they would do him some harm; so he started up in terror, fluttered into the milk-pan, and splashed the milk about the room. Then the woman clapped her hands, which frightened him still more. He flew first into the butter-cask, then into the meal-tub, and out again. What a condition he was in! The woman screamed, and struck at him with the tongs; the children laughed and screamed, and tumbled over each other, in their efforts to catch him; but luckily he escaped. The door stood open; the poor creature could just manage to slip out among the bushes, and lie down quite exhausted in the newly fallen snow.

It would be very sad, were I to relate all the misery and privations which the poor little duckling endured during the hard winter; but when it had passed, he found himself lying one morning in a moor, amongst the rushes. He felt the warm sun shining, and heard the lark singing, and saw that all around was beautiful spring.

Then the young bird felt that his wings were strong, as he flapped them against his sides, and rose high into the air. They bore him onwards, until he found himself in a large garden, before he well knew how it had happened. The apple-trees were in full blossom, and the fragrant elders bent their long green branches down to the stream which wound round a smooth lawn. Everything looked beautiful, in the freshness of early spring. From a thicket close by came three beautiful white swans, rustling their feathers, and swimming lightly over the smooth water. The duckling remembered the lovely birds, and felt more strangely unhappy than ever.

"I will fly to those royal birds," he exclaimed, "and they will kill me, because I am so ugly, and dare to approach them; but it does not matter: better be killed by them than pecked by the ducks, beaten by the hens, pushed about by the maiden who feeds the poultry, or starved with hunger in the winter." Then he flew to the water, and swam towards the beautiful swans. The moment they espied the stranger, they rushed to meet him with outstretched wings. "Kill me," said the poor bird; and he bent his head down to the surface of the water, and awaited death. But what did he see in the clear stream below? His own image; no longer a dark, gray bird, ugly and disagreeable to look at, but a graceful and beautiful swan.

To be born in a duck's nest, in a farmyard, is of no consequence to a bird, if it is hatched from a swan's egg.

He now felt glad at having suffered sorrow and trouble, because it enabled him to enjoy so much better all the pleasure and happiness around him; for the great swans swam round the new-comer, and stroked his neck with their beaks, as a welcome.

Into the garden presently came some little children, and threw bread and cake into the water.

"See," cried the youngest, "there is a new one;" and the rest were delighted, and ran to their father and mother, dancing and clapping their hands, and shouting joyously, "There is another swan come; a new one has arrived." Then they threw more bread and cake into the water, and said, "The new one is the most beautiful of all; he is so young and pretty." And the old swans bowed their heads before him.

Then he felt quite ashamed, and hid his head under his wing; for he did not know what to do, he was so happy, and yet not at all proud. He had been persecuted and despised for his ugliness, and now he heard them say he was the most beautiful of all the birds. Even the elder-tree bent down its bows into the water before him, and the sun shone warm and bright. Then he rustled his feathers, curved his slender neck, and cried joyfully, from the depths of his heart, "I never dreamed of such happiness as this, while I was an ugly duckling."




Vergelijk twee talen:










Donations are welcomed & appreciated.


Thank you for your support.