NEDERLANDS

Alles op zijn plaats!

ESPAÑOL

Cada cosa en su sitio


Het is meer dan honderd jaar geleden!

Achter het bos bij het grote meer lag een oud kasteel, met rondom diepe grachten waarin lisdodde, biezen en riet groeiden. Vlak bij de brug naast de inrijpoort stond een oude wilgenboom, die zich over het riet heen boog.

Vanuit de holle weg om de hoek klonken horens en hoefgetrappel, en de kleine ganzenhoedster haastte zich om de ganzen van de brug weg te krijgen, voor het jachtgezelschap kwam aangalopperen; ze hadden zo'n vaart dat zij haastig op een van de hoge stenen naast de brug moest springen om niet overreden te worden. Half kind was zij nog, teer en slank, maar met een lieve uitdrukking op het gezicht en twee vriendelijke, heldere ogen. Maar daar keek de edelman niet naar; in vliegende vaart kwam hij aanrijden, hij draaide de zweep in zijn hand om en in zijn ruwe vrolijkheid stootte hij haar met de schacht voor de borst, zodat zij achteroverviel.

"Alles op zijn plaats!" riep hij, "in de modder met jou!" En toen lachte hij, dat moest een grap verbeelden, en de anderen lachten mee; het hele gezelschap schreeuwde en joelde en de jachthonden blaften; dat was echt: "Rijke vogels komen aansuizen!"

God weet hoe rijk hij toen nog was.

Het arme ganzenhoedstertje greep in haar val om zich heen en pakte een van de neerhangende wilgentakken; daaraan bleef zij hangen boven de modderpoel en zodra edelen en honden de poort goed en wel binnen waren werkte zij zich met moeite naar boven. Maar de tak knakte bij de kroon af en de ganzenhoedster viel met haar volle gewicht in het riet, toen op hetzelfde ogenblik een krachtige hand van boven haar vastgreep. Het was een zwervende marskramer die op een afstand had toegekeken en zich nu haastte om haar te hulp te komen.

"Alles op zijn plaats!" zei hij uit de grap de edelman na en trok haar op het droge. De afgebroken tak wilde hij weer op zijn plaats brengen, maar "op zijn plaats" gaat niet altijd! Daarom stak hij de tak in de weke grond: "Groei als je kunt en snijd hun daar op het kasteel een flinke fluit!" Hij gunde de edelman en de zijnen een duchtige spitsroedenmars; toen liep hij op het kasteel toe maar hij ging niet naar de ridderzaal, daar was hij te gering voor! Hij ging naar de kamer van de bedienden en zij keken naar zijn koopwaar en kochten van hem. Maar van de feestmaaltijd klonk gejoel en gebrul, dat moest zingen verbeelden, zij konden het niet beter. Er klonk gelach en hondengejank, het was een brassen en zwelgen; wijn en oud bier schuimden in glazen en kroezen en de jachthonden vraten mee; een van de beesten werd door de jonkers gekust, nadat zijn snuit eerst met zijn lange oor was afgedroogd. De marskramer werd met zijn waren boven geroepen, maar alleen opdat zij met hem de spot konden drijven. De wijn was uit de kan, de wijsheid uit de man. Zij goten bier in een kous voor hem, opdat hij mee kon drinken, maar vlug! Dat was toch zo buitengewoon vernuftig en geestig! Hele kudden vee, boeren en hoeven werden op een kaart gezet en verloren.

"Alles op zijn plaats!" zei de marskramer toen hij weer goed en wel buiten Sodom en Gomorra was, zoals hij het noemde. "De open weg, dat is mijn plaats, daarboven was ik niet op mijn gemak." En de kleine ganzenhoedster knikte hem toe van achter het hek.

Er verliepen dagen en er verliepen weken en het bleek dat de afgebroken wilgetak, die de marskramer bij het moeras in de grond had gestoken, nog altijd fris en groen was, ja, hij schoot zelfs nieuwe loten; de kleine ganzenhoedster merkte dat hij wortel geschoten moest hebben en zij was daar echt blij om, het was haar boom, vond ze.

Ja, met die tak ging het vooruit, maar met al het andere op het kasteel ging het sterk achteruit door gebras en spel: dat zijn twee draaischijven waarop men niet kan blijven staan.

Er waren nog geen zes jaar verlopen of de edelman moest als bedelaar met zak en staf zijn kasteel verlaten. Dat werd gekocht door een rijke marskramer, en dat was dezelfde die indertijd was uitgelachen en die bier in een kous was aangeboden - want eerlijkheid en voortvarendheid geven wind in de zeilen, en nu was de marskramer meester op het kasteel. Maar van dat ogenblik af kwam er geen kaart meer op tafel: "Dat is slechte lectuur," zei hij. "Toen de duivel voor de eerste maal de bijbel zag wilde hij er een na-apen, een boek dat er precies op leek, en toen vond hij het kaartspel uit!"

De nieuwe eigenaar nam een vrouw en wie was zij, het was de kleine ganzenhoedster die altijd braaf, vroom en goed was geweest. In haar nieuwe kleren zag zij er zo voornaam en knap uit alsof zij een geboren jonkvrouw was. Hoe kwam dat zo? Ja, dat is in onze drukke tijd een veel te lange geschiedenis, maar het gebeurde, en het belangrijkste komt nog.

Het was heerlijk en goed op het oude kasteel, moeder regeerde binnen en vader buiten; het was alsof er een zegen over lag en waar welstand is, daar vestigt zich de welstand. Het oude kasteel werd schoongemaakt en geverfd, de grachten gereinigd en vruchtbomen geplant; het zag er vriendelijk en goed uit en de vloeren van de kamers waren blank als een springplank. In de grote zaal zat op winteravonden mevrouw met haar dienstmeisjes en spon wol en linnen; iedere zondagavond werd er hardop uit de bijbel gelezen, door de aanklager zelf - want hij werd aanklager, de marskramer, maar dat gebeurde eerst toen hij heel oud was. De kinderen groeiden op - er kwamen kinderen - en allen kregen een goede opvoeding, maar zij waren natuurlijk niet allen even knap, zoals dat in iedere familie wel voorkomt.

Maar de wilgentak buiten was een statige boom geworden die vrij stond en ongesnoeid. "Het is onze stamboom!" zeiden de oudjes. "Die boom moet in ere worden gehouden!" zeiden zij tot de kinderen, ook tot diegenen die niet zo knap waren.

Nu waren er honderd jaar verlopen.

Het was in onze tijd; het meer was tot moeras geworden en het oude kasteel als weggevaagd; er lag een langwerpige poel water met wat stenen langs de kant, dat was de rest van de diepe gracht. Er stond nog een statige oude boom die zijn takken liet hangen, dat was de stamboom; hij stond daar om te laten zien hoe mooi een wilg kan zijn wanneer hij gelegenheid krijgt voor zich zelf te zorgen. Er liep wel een scheur door de stam van de wortel tot de kroon, de storm had hem wel wat gedraaid, maar hij hield stand en uit alle scheuren en spleten, waar weer en wind aarde in hadden gelegd, groeiden er gras en bloemen! Vooral bovenaan, waar de grote takken uit elkaar gingen, was er als het ware een hangende tuin met aardbeien en muur, ja zelfs een heel kleine lijsterbes had er wortel geschoten en stond slank en teer midden op de oude wilgenboom, die zich in het donkere water spiegelde wanneer de wind het kroos in een hoek van de poel had gedreven. Een akkerpaadje voerde er vlak langs.

Hoog op de heuvel bij het bos, met een verrukkelijk uitzicht, lag het nieuwe kasteel, groot en statig met glazen ruiten zo helder dat je zou denken dat er helemaal geen waren. De grote trap voor de deur zag eruit of er een prieel over hing van rozen en planten met grote bladeren. Het grasveld was zo helder groen alsof elk grassprietje 's morgens en 's avonds werd nagezien. Binnen in de zaal hingen er kostbare schilderijen en er stonden stoelen en sofa's met zijde en fluweel bekleed, die bijna op hun eigen benen konden lopen, tafels met gladde marmeren platen en boeken in saffraan gebonden en verguld op snede: dat waren rijke mensen die hier woonden, het waren voorname mensen, het was de baron en zijn gezin.

Het een was in overeenstemming met het ander. "Alles op zijn plaats!" zeiden zij ook, en daarom waren alle schilderijen, die eenmaal sieraad en eer waren geweest van het oude kasteel, nu opgehangen in de gang die naar de bediendekamer leidde; echte rommel was het, vooral twee oude portretten, het een 'n man voorstellend in een rozerode jas en met een pruik op, het ander een dame met gepoederd opgestoken haar en een rode roos in de hand, maar beiden omkranst door wilgentakken. Er waren een heleboel ronde gaatjes in de twee schilderijen, doordat de kleine baronnetjes altijd hun bogen afschoten op de twee oude mensen. Het waren de aanklager en zijn vrouw, de twee van wie het hele geslacht afstamde.

"Maar zij zijn niet echt familie van ons!" zei een van de kleine baronnetjes. "Hij was een marskramer en zij een straatmeid. Zij waren niet zoals papa en mama!"

De schilderijen waren prullen, "alles op zijn plaats!" zei men, en zo kwamen overgrootvader en overgrootmoeder op de gang naar de bediendekamer.

De zoon van de dominee was leraar op het kasteel; hij wandelde op zekere dag met de kleine baronnetjes en hun oudste zuster, die pas aangenomen was, over het pad naar beneden, naar de oude wilgenboom. Op de wandeling plukte zij een boeket veldbloemen: "alles op zijn plaats!" - het werd een prachtstuk. Intussen luisterde zij heel goed naar wat er werd verteld en met genoegen hoorde zij de zoon van de dominee vertellen van de krachten van de natuur en van grote mannen en vrouwen in de geschiedenis; zij had een gezonde aard, een edele ziel, een voorname geest en een hart dat hield van alles wat God geschapen had.

Beneden bij de oude wilgenboom hielden zij stil; de jongste baron wilde zo graag een fluitje gesneden hebben, dat had hij vroeger van andere wilgenbomen ook gekregen, en de zoon van de dominee brak een tak af.

"O, doe dat niet!" zei de jonge barones; maar het was al gebeurd. "Dat is toch onze oude beroemde boom. Ik houd zoveel van hem. Ja, men lacht mij thuis erom uit, maar dat kan mij niets schelen. Er is een hele geschiedenis aan die boom verbonden..."

En toen vertelde zij alles wat wij van die boom gehoord hebben, van het oude kasteel, van het ganzenhoedstertje en de marskramer, die elkaar daar ontmoetten en stamouders werden van het voorname geslacht en van de jonge barones.

"Zij wilden zich niet in de adelstand laten verheffen," zei ze, "die brave oudjes hadden tot lijfspreuk: "Alles op zijn plaats!" en zij vonden dat zij niet op hun plaats waren wanneer zij zich voor geld lieten verheffen. Hun zoon, mijn grootvader, werd baron. Hij moet erg geleerd geweest zijn en zeer gezien en bemind door prinsen en prinsessen en aan al hun feesten hebben deelgenomen. Van hem houden zij thuis het meest, maar ik weet 't zelf niet, er is toch aan dit oude paar iets dat mij aantrekt! Het moet zo gezellig, zo patriarchaal geweest zijn op het oude kasteel waar de huisvrouw met al haar dienstmeisjes zat te spinnen en de oude heer hardop uit de bijbel voorlas."

"Het zijn prachtmensen geweest, verstandige lieden," zei de domineeszoon. En zo kwamen zij te praten over adel en burgerij, en het was bijna alsof de domineeszoon niet tot de burgerstand behoorde, zo praatte hij over de adel.

"Het is een geluk tot een geslacht te behoren dat zich onderscheiden heeft! Het is net alsof je bloed je aanspoort om in alles wat degelijk is vóór te gaan. Het is heerlijk een naam te bezitten die een toegangskaan is tot de eerste families. Adel betekent edel, het is een gouden munt die gestempeld is met wat zij zelf waard is. Het is nu eenmaal in de geest van de tijd - en heel wat dichters stemmen ermee in - dat alles wat adellijk is ook slecht en dom moet zijn, maar bij de armen, hoe lager men daalt, niets dan glans. Maar dat vind ik niet, dat is helemaal verkeerd, volkomen dwaas. Bij de hogere standen kan men zeker vele aangrijpende, schone dingen opmerken; mijn moeder vertelde mij er een en ik zou er meer kunnen vertellen. Zij was op bezoek bij een voorname familie in de stad, mijn grootmoeder was geloof ik de min van mevrouw geweest. Mijn moeder stond in de kamer met de oude edelman; daar zag hij dat er beneden op de binnenplaats een oude vrouw aankwam op krukken; iedere zondag kwam zij en kreeg dan een paar stuivers. "Daar is de arme stumper," zei meneer, "zij kan zo moeilijk lopen!" En vóór mijn moeder het begreep was hij de deur uit en de trappen af, hij de zeventigjarige oude excellentie was zelf naar beneden, naar die oude vrouw gegaan om haar die moeilijke weg naar boven te besparen, om een stuiver te halen als aalmoes. Dit is nu maar een klein trekje, maar als "penningske der weduwe" klinkt het uit de bodem van het hart op, uit de menselijke natuur; daarop moet de dichter wijzen, juist in onze tijd moet hij daarvan zingen, dat doet goed, dat werkt' verzachtend en verzoenend. Maar wanneer een individu, omdat hij een stamboom heeft, als een Arabisch paard op zijn achterste benen gaat staan en op straat hinnikt en thuis zegt: "Hier is straatvolk binnen geweest," wanneer er een burger door zijn kamer heeft gelopen, dan is de adel verrot, tot een masker geworden, en men maakt grapjes over de man en hij zal een voorwerp van spot zijn." Zo sprak de domineeszoon, het duurde wat lang, maar de fluit was gesneden.

Er was een groot avondfeest op het kasteel, er waren veel gasten uit de omtrek en de hoofdstad. Dames, smaakvol en niet smaakvol gekleed. De grote zaal vol mensen. De dominees uit de omtrek stonden vol eerbied in een hoek bij elkaar, het leek wel een begrafenis, maar het was pret die nog niet goed aan de gang was.

Een groot concert zou het worden en daarom had de kleine baron zijn wilgefluitje mee naar binnen genomen, maar hij kon er geen lucht in krijgen, dat kon papa niet en daarom deugde de fluit niet. Er waren muziek en zang, van dat soort dat het aardigst is voor diegene die zelf speelt of zingt; overigens allerliefst.

"U bent ook virtuoos!" zei een edelman die het kind van zijn ouders was. "U blaas op de fluit, u snijdt er zelf een. Dat is het genie, dat alles beheerst - zit aan de rechterkant - God beware ons! Ik ga met de tijd mee, dat moet men wel. U zult ons met dat kleine instrument allemaal in verrukking brengen!" En toen overhandigde hij hem de kleine fluit die was gesneden uit de wilgenboom beneden bij de waterpoel, en luid en hoorbaar verkondigde hij dat de leraar een solo op die fluit ten gehore wilde brengen.

Ze wilden hem voor de gek houden, dat was makkelijk te begrijpen, en de leraar wilde niet blazen, ofschoon hij het best kon, maar zij drongen aan, zij presten hem en toen nam hij de fluit en zette haar aan de mond.

Dat was een wonderlijke fluit! Daar klonk een toon, zo doordringend als van een locomotief, ja, heel wat sterker; die klonk door het hele kasteel, door tuin en bos, mijlenver door het land, en met dat geluid kwam er een stormwind die loeide: "Alles op zijn plaats!"

En toen vloog papa, als door de wind gedragen, het kasteel uit en regelrecht het huis van de stalknecht binnen, en de stalknecht vloog op - niet de salon in, daar kon hij niet komen, nee, de bediendekamer binnen, te midden van de voorname lakeien, die zijden kousen droegen, en die trotse heerschappen kregen er bijna jicht van, dat zo'n gering personage zich tussen hen aan tafel durft te zetten.

Maar in de salon vloog de jonge baronesse naar het hoofd van de tafel waar zij waardig was om te zitten, maar de domineeszoon kreeg een plaats naast haar en daar zaten zij beiden, alsof zij bruid en bruidegom waren. Een oude graaf uit een van de oudste families van het land bleef onwrikbaar op zijn ereplaats: de fluit was rechtvaardig, en dat behoort men te zijn. De geestige edelman die schuld had aan dit fluitspel, hij die het kind van zijn ouders was, vloog hals over kop tussen de kippen, maar niet alleen.

Wel een mijl ver het land in klonk de fluit en men hoorde opzienbarende dingen. Een rijke koopmansfamilie die met een vierspan reed, werd het rijtuig uitgeblazen en kon niet eens een plaats achterop krijgen; twee rijke boeren die in onze tijd boven hun eigen korenveld uit waren gegroeid, werden in de modderige greppel geblazen: dat was een gevaarlijke fluit. Gelukkig sprong zij bij de eerste toon uit elkaar en dat was maar goed ook, zo kwam zij weer in de zak terecht: "Alles op zijn plaats!"

De volgende dag werd er over die gebeurtenis niet meer gesproken, daarom zegt men dan ook: "Berg je pijp op!" Alles was dan ook weer op orde, alleen de twee oude schilderijen - van de marskramer en de ganzenhoedster - hingen in de salon, daar waren zij op de muur geblazen, en toen een kunstkenner zei dat ze door een meesterhand waren geschilderd, bleven zij hangen en werden gerestaureerd; men wist vroeger immers niet dat ze wat waard waren, hoe zou men dat ook weten. Nu hingen ze op een ereplaats. "Alles op zijn plaats!" en daar komt het dan ook! De eeuwigheid is lang, langer dan deze geschiedenis!
Hace de esto más de cien años.
Detrás del bosque, a orillas de un gran lago, se levantaba un viejo palacio, rodeado por un profundo foso en el que crecían cañaverales, juncales y carrizos. Junto al puente, en la puerta principal, habla un viejo sauce, cuyas ramas se inclinaban sobre las cañas.
Desde el valle llegaban sones de cuernos y trotes de caballos; por eso la zagala se daba prisa en sacar los gansos del puente antes de que llegase la partida de cazadores. Venía ésta a todo galope, y la muchacha hubo de subirse de un brinco a una de las altas piedras que sobresalían junto al puente, para no ser atropellada. Era casi una niña, delgada y flacucha, pero en su rostro brillaban dos ojos maravillosamente límpidos. Mas el noble caballero no reparó en ellos; a pleno galope, blandiendo el látigo, por puro capricho dio con él en el pecho de la pastora, con tanta fuerza que la derribó.
- ¡Cada cosa en su sitio! -exclamó-. ¡El tuyo es el estercolero! -y soltó una carcajada, pues el chiste le pareció gracioso, y los demás le hicieron coro. Todo el grupo de cazadores prorrumpió en un estruendoso griterío, al que se sumaron los ladridos de los perros. Era lo que dice la canción:
«¡Borrachas llegan las ricas aves!».
Dios sabe lo rico que era.
La pobre muchacha, al caer, se agarró a una de las ramas colgantes del sauce, y gracias a ella pudo quedar suspendida sobre el barrizal. En cuanto los señores y la jauría hubieron desaparecido por la puerta, ella trató de salir de su atolladero, pero la rama se quebró, y la muchachita cayó en medio del cañaveral, sintiendo en el mismo momento que la sujetaba una mano robusta. Era un buhonero, que, habiendo presenciado toda la escena desde alguna distancia, corrió en su auxilio.
- ¡Cada cosa en su sitio! -dijo, remedando al noble en tono de burla y poniendo a la muchacha en un lugar seco. Luego intentó volver a adherir la rama quebrada al árbol; pero eso de «cada cosa en su sitio» no siempre tiene aplicación, y así la clavó en la tierra reblandecida -. Crece si puedes; crece hasta convertirte en una buena flauta para la gente del castillo -. Con ello quería augurar al noble y los suyos un bien merecido castigo. Subió después al palacio, aunque no pasó al salón de fiestas; no era bastante distinguido para ello. Sólo le permitieron entrar en la habitación de la servidumbre, donde fueron examinadas sus mercancías y discutidos los precios. Pero del salón donde se celebraba el banquete llegaba el griterío y alboroto de lo que querían ser canciones; no sabían hacerlo mejor. Resonaban las carcajadas y los ladridos de los perros. Se comía y bebía con el mayor desenfreno. El vino y la cerveza espumeaban en copas y jarros, y los canes favoritos participaban en el festín; los señoritos los besaban después de secarles el hocico con las largas orejas colgantes. El buhonero fue al fin introducido en el salón, con sus mercancías; sólo querían divertirse con él. El vino se les había subido a la cabeza, expulsando de ella a la razón. Le sirvieron cerveza en un calcetín para que bebiese con ellos, ¡pero deprisa! Una ocurrencia por demás graciosa, como se ve. Rebaños enteros de ganado, cortijos con sus campesinos fueron jugados y perdidos a una sola carta.
- ¡Cada cosa en su sitio! -dijo el buhonero cuando hubo podido escapar sano y salvo de aquella Sodoma y Gomorra, como él la llamó-. Mi sitio es el camino, bajo el cielo, y no allá arriba -. Y desde el vallado se despidió de la zagala con un gesto de la mano.
Pasaron días y semanas, y aquella rama quebrada de sauce que el buhonero plantara junto al foso, seguía verde y lozana; incluso salían de ella nuevos vástagos. La doncella vio que había echado raíces, lo cual le produjo gran contento, pues le parecía que era su propio árbol.
Y así fue prosperando el joven sauce, mientras en la propiedad todo decaía y marchaba del revés, a fuerza de francachelas y de juego: dos ruedas muy poco apropiadas para hacer avanzar el carro.
No habían transcurrido aún seis años, cuando el noble hubo de abandonar su propiedad convertido en pordiosero, sin más haber que un saco y un bastón. La compró un rico buhonero, el mismo que un día fuera objeto de las burlas de sus antiguos propietarios, cuando le sirvieron cerveza en un calcetín. Pero la honradez y la laboriosidad llaman a los vientos favorables, y ahora el comerciante era dueño de la noble mansión. Desde aquel momento quedaron desterrados de ella los naipes. - ¡Mala cosa! -decía el nuevo dueño-. Viene de que el diablo, después que hubo leído la Biblia, quiso fabricar una caricatura de ella e ideo el juego de cartas.
El nuevo señor contrajo matrimonio - ¿con quién dirías? - Pues con la zagala, que se había conservado honesta, piadosa y buena. Y en sus nuevos vestidos aparecía tan pulcra y distinguida como si hubiese nacido en noble cuna. ¿Cómo ocurrió la cosa? Bueno, para nuestros tiempos tan ajetreados sería ésta una historia demasiado larga, pero el caso es que sucedió; y ahora viene lo más importante.
En la antigua propiedad todo marchaba a las mil maravillas; la madre cuidaba del gobierno doméstico, y el padre, de las faenas agrícolas. Llovían sobre ellos las bendiciones; la prosperidad llama a la prosperidad. La vieja casa señorial fue reparada y embellecida; se limpiaron los fosos y se plantaron en ellos árboles frutales; la casa era cómoda, acogedora, y el suelo, brillante y limpísimo. En las veladas de invierno, el ama y sus criadas hilaban lana y lino en el gran salón, y los domingos se leía la Biblia en alta voz, encargándose de ello el Consejero comercial, pues a esta dignidad había sido elevado el ex-buhonero en los últimos años de su vida. Crecían los hijos - pues habían venido hijos -, y todos recibían buena instrucción, aunque no todos eran inteligentes en el mismo grado, como suele suceder en las familias.
La rama de sauce se había convertido en un árbol exuberante, y crecía en plena libertad, sin ser podado. - ¡Es nuestro árbol familiar! -decía el anciano matrimonio, y no se cansaban de recomendar a sus hijos, incluso a los más ligeros de cascos, que lo honrasen y respetasen siempre.
Y ahora dejamos transcurrir cien años.
Estamos en los tiempos presentes. El lago se había transformado en un cenagal, y de la antigua mansión nobiliaria apenas quedaba vestigio: una larga charca, con unas ruinas de piedra en uno de sus bordes, era cuanto subsistía del profundo foso, en el que se levantaba un espléndido árbol centenario de ramas colgantes: era el árbol familiar. Allí seguía, mostrando lo hermoso que puede ser un sauce cuando se lo deja crecer en libertad. Cierto que tenía hendido el tronco desde la raíz hasta la copa, y que la tempestad lo había torcido un poco; pero vivía, y de todas sus grietas y desgarraduras, en las que el viento y la intemperie habían depositado tierra fecunda, brotaban flores y hierbas; principalmente en lo alto, allí donde se separaban las grandes ramas, se había formado una especie de jardincito colgante de frambuesas y otras plantas, que suministran alimento a los pajarillos; hasta un gracioso acerolo había echado allí raíces y se levantaba, esbelto y distinguido, en medio del viejo sauce, que se miraba en las aguas negras cada vez que el viento barría las lentejas acuáticas y las arrinconaba en un ángulo de la charca. Un estrecho sendero pasaba a través de los campos señoriales, como un trazo hecho en una superficie sólida.
En la cima de la colina lindante con el bosque, desde la cual se dominaba un soberbio panorama, se alzaba el nuevo palacio, inmenso y suntuoso, con cristales tan transparentes, que habríase dicho que no los había. La gran escalinata frente a la puerta principal parecía una galería de follaje, un tejido de rosas y plantas de amplias hojas. El césped era tan limpio y verde como si cada mañana y cada tarde alguien se entretuviera en quitar hasta la más ínfima brizna de hierba seca. En el interior del palacio, valiosos cuadros colgaban de las paredes, y había sillas y divanes tapizados de terciopelo y seda, que parecían capaces de moverse por sus propios pies; mesas con tablero de blanco mármol y libros encuadernados en tafilete con cantos de oro... Era gente muy rica la que allí residía, gente noble: eran barones.
Reinaba allí un gran orden, y todo estaba en relación con lo demás. «Cada cosa en su sitio», decían los dueños, y por eso los cuadros que antaño habrían adornado las paredes de la vieja casa, colgaban ahora en las habitaciones del servicio. Eran trastos viejos, en particular aquellos dos antiguos retratos, uno de los cuales representaba un hombre en casaca rosa y con enorme peluca, y el otro, una dama de cabello empolvado y alto peinado, que sostenía una rosa en la mano, rodeados uno y otro de una gran guirnalda de ramas de sauce. Los dos cuadros presentaban numerosos agujeros, producidos por los baronesitos, que los habían tomado por blanco de sus flechas. Eran el Consejero comercial y la señora Consejera, los fundadores del linaje.
- Sin embargo, no pertenecen del todo a nuestra familia -dijo uno de los baronesitos-. Él había sido buhonero, y ella, pastora. No eran como papá y mamá.
Aquellos retratos eran trastos viejos, y «¡cada cosa en su sitio!», se decía; por eso el bisabuelo y la bisabuela habían ido a parar al cuarto de la servidumbre.
El hijo del párroco estaba de preceptor en el palacio. Un día salió con los señoritos y la mayor de las hermanas, que acababa de recibir su confirmación. Iban por el sendero que conducía al viejo sauce, y por el camino la jovencita hizo un ramo de flores silvestres. «Cada cosa en su sitio», y de sus manos salió una obra artística de rara belleza. Mientras disponía el ramo, escuchaba atentamente cuanto decían los otros, y sentía un gran placer oyendo al hijo del párroco hablar de las fuerzas de la Naturaleza y de la vida de grandes hombres y mujeres. Era una muchacha de alma sana y elevada, de nobles sentimientos, y dotada de un corazón capaz de recoger amorosamente cuanto de bueno había creado Dios.
Se detuvieron junto al viejo sauce. El menor de los niños pidió que le fabricasen una flauta, como las había tenido ya de otros sauces, y el preceptor rompió una rama del árbol.
- ¡Oh, no lo hagáis! -dijo la baronesita; pero ya era tarde- ¡Es nuestro viejo árbol famoso! Lo quiero mucho. En casa se me ríen por eso, pero me da lo mismo. Hay una leyenda acerca de ese árbol...
Y contó cuanto había oído del sauce, del viejo castillo, de la zagala y el buhonero, que se habían conocido en aquel lugar y eran los fundadores de la noble familia de la baronesita.
- No quisieron ser elevados a la nobleza; eran probos e íntegros -dijo-. Tenían por lema: «Cada cosa en su sitio», y temían sentirse fuera de su sitio si se dejaban ennoblecer por dinero. Su hijo, mi abuelo, fue el primer barón; tengo entendido que fue un hombre sabio, de gran prestigio y muy querido de príncipes y princesas, que lo invitaban a todas sus fiestas. A él va la admiración de mi familia, pero yo no sé por qué los viejos bisabuelos me inspiran más simpatía. ¡Qué vida tan recogida y patriarcal debió de llevarse en el viejo palacio, donde el ama hilaba en compañía de sus criadas, y el anciano señor leía la Biblia en voz alta!
- Fueron gente sensata y de gran corazón -asintió el hijo del párroco; y de pronto se encontraron enzarzados en una conversación sobre la nobleza y la burguesía, y casi parecía que el preceptor no formaba parte de esta última clase, tal era el calor con qué encomiaba a la primera.
- Es una suerte pertenecer a una familia que se ha distinguido, y, por ello, llevar un impulso en la sangre, un anhelo de avanzar en todo lo bueno. Es magnífico llevar un apellido que abra el acceso a las familias más encumbradas. Nobleza es palabra que se define a sí misma, es la moneda de oro que lleva su valor en su cuño. El espíritu de la época afirma, y muchos escritores están de acuerdo con él, naturalmente, que todo lo que es noble ha de ser malo y disparatado, mientras en los pobres todo es brillante, tanto más cuanto más se baja en la escala social. Pero yo no comparto este criterio, que es completamente erróneo y disparatado. En las clases superiores encontramos muchos rasgos de conmovedora grandeza; mi padre me contó uno, al que yo podría añadir otros muchos. Un día se encontraba de visita en una casa distinguida de la ciudad, en la que según tengo entendido, mi abuela había criado a la señora. Estaba mi madre en la habitación, al lado del noble y anciano señor, cuando éste se dio cuenta de una mujer de avanzada edad que caminaba penosamente por el patio apoyada en dos muletas. Todos los domingos venía a recoger unas monedas. «Es la pobre vieja -dijo el señor-. ¡Le cuesta tanto andar!». Y antes de que mi madre pudiera adivinar su intención, había cruzado el umbral y corría escaleras abajo, él, Su Excelencia en persona, al encuentro de la mendiga, para ahorrarle el costoso esfuerzo de subir a recoger su limosna. Es sólo un pequeño rasgo, pero, como el óbolo de la viuda, resuena en lo más hondo del corazón y manifiesta la bondad de la naturaleza humana; y éste es el rasgo que debe destacar el poeta, y más que nunca en nuestro tiempo, pues reconforta y contribuye a suavizar diferencias y a reconciliar a la gente. Pero cuando una persona, por ser de sangre noble y poseer un árbol genealógico como los caballos árabes, se levanta como éstos sobre sus patas traseras y relincha en las calles y dice en su casa: «¡Aquí ha estado gente de la calle!», porque ha entrado alguien que no es de la nobleza, entonces la nobleza ha degenerado, ha descendido a la condición de una máscara como aquélla de Tespis; todo el mundo se burla del individuo, y la sátira se ensaña con él.
Tal fue el discurso del hijo del párroco, un poco largo, y entretanto había quedado tallada la flauta.
Había recepción en el palacio. Asistían muchos invitados de los alrededores y de la capital, y damas vestidas con mayor o menor gusto. El gran salón pululaba de visitantes. Reunidos en un grupo veíase a los clérigos de la comarca, retirados respetuosamente en un ángulo de la estancia, como si se preparasen para un entierro, cuando en realidad aquello era una fiesta, sólo que aún no había empezado de verdad.
Había de darse un gran concierto; para ello, el baronesito había traído su flauta de sauce, pero todos sus intentos y los de su padre por arrancar una nota al instrumento habían sido vanos, y, así, lo habían arrinconado por inútil.
Se oyó música y canto de la clase que más divierte a los ejecutantes, aunque, por lo demás, muy agradable.
- ¿También usted es un virtuoso? -preguntó un caballero, un auténtico hijo de familia-. Toca la flauta y se la fabrica usted mismo. Es el genio que todo lo domina, y a quien corresponde el lugar de honor. ¡Dios nos guarde! Yo marcho al compás de la época, y esto es lo que procede. ¿Verdad que va a deleitarnos con su pequeño instrumento? -. Y alargando al hijo del párroco la flauta tallada del sauce de la charca, con voz clara y sonora anunció a la concurrencia que el preceptor de la casa los obsequiaría con un solo de flauta,
Fácil es comprender que se proponían burlarse de él, por lo que el joven se resistía, a pesar de ser un buen flautista. Pero tanto insistieron y lo importunaron, que, cogiendo el instrumento, se lo llevó a sus labios.
Era una flauta maravillosa. Salió de ella una nota prolongada, como el silbido de una locomotora, y más fuerte aún, que resonó por toda la finca, y, más allá del parque y el bosque, por todo el país, en una extensión de millas y millas; y al mismo tiempo se levantó un viento tempestuoso, que bramó: «¡Cada cosa en su sitio!».
Y ya tenéis a papá volando, como llevado por el viento, hasta la casa del pastor, y a éste volando al palacio, aunque no al salón, pues en él no podía entrar, pero sí en el cuarto de los criados, donde quedó en medio de toda la servidumbre; y aquellos orgullosos lacayos, en librea y medias de seda quedaron como paralizados de espanto, al ver a un individuo de tan humilde categoría sentado a la mesa entre ellos.
En el salón, la baronesita fue trasladada a la cabecera de la mesa, el puesto principal, y a su lado vino a parar el hijo del párroco, como si fueran una pareja de novios. Un anciano conde de la más rancia nobleza del país permaneció donde estaba, en su lugar de honor, pues la flauta era justa, como se debe ser. El caballero chistoso, aquel hijo de familia que había provocado la catástrofe, voló de cabeza al gallinero, y no fue él solo.
El son de la flauta se oía a varias leguas a la redonda, y en todas partes ocurrían cosas extrañas. Una rica familia de comerciantes, que usaba carroza de cuatro caballos, se vio arrojada del carruaje; ni siquiera le dejaron un puesto detrás. Dos campesinos acaudalados, que en nuestro tiempo habían adquirido muchos bienes además de sus campos propios, fueron a dar con sus huesos en un barrizal. ¡Era una flauta peligrosa! Afortunadamente, reventó a la primera nota, y suerte hubo de ello. Entonces volvió al bolsillo. ¡Cada cosa en su sitio!
Al día siguiente no se hablaba ya de lo sucedido; de ahí viene la expresión: «Guardarse la flauta». Todo volvió a quedar como antes, excepto que los dos viejos retratos, el del buhonero y el de la pastora, fueron colgados en el gran salón, al que habían sido llevados por la ventolera; y como un entendido en cosas de arte afirmara que se trataba realmente de obras maestras, quedaron definitivamente en el puesto de honor. Antes se ignoraba su mérito, ¿cómo iba a saberse?
Pero desde aquel día presidieron el salón: «Cada cosa en su sitio», y ahí lo tenéis. Larga es la eternidad, más larga que esta historia.




Vergelijk twee talen:










Donations are welcomed & appreciated.


Thank you for your support.