NEDERLANDS

De kleine zeemeermin

ESPAÑOL

La sirenita


Ver in zee is het water zo blauw als de blaadjes van de mooiste korenbloem en zo helder als het zuiverste glas, maar het is heel diep, dieper als een ankerketting ooit kan komen. Je zou een heleboel kerktorens boven op elkaar moeten zetten om van de bodem van de zee tot aan de oppervlakte te komen. En daar in de diepte wonen de zeemensen.

Maar je moet niet denken dat de bodem van kaal, wit zand is. Nee hoor, er groeien de prachtigste bomen en planten en hun stengels en bladeren zijn zo soepel dat ze bij de minste beweging van het water heen en weer gaan, net of ze levend zijn. Grote en kleine vissen, allemaal glippen ze tussen de takken door, net als bij ons de vogels in de lucht. Op het allerdiepste plekje ligt het paleis van de zeekoning. De muren zijn van koraal en de lange, spits toelopende ramen van het zuiverste barnsteen. Het dak is van schelpen die met de bewegingen van het water open en dicht gaan. Het ziet er beeldig uit, want in iedere schelp zit een schitterende parel en als je er maar eentje van in de kroon van de koningin zou doen, zou dat al heel bijzonder zijn.

De zeekoning was al jaren weduwnaar, maar zijn oude moeder deed de huishouding voor hem. Ze was een wijze vrouw, en ze was trots op haar adellijke afkomst. Daarom had ze twaalf oesters op haar staart; de anderen van hoge komaf mochten er maar zes. Verder verdiende ze alle lof, vooral omdat ze zoveel van de kleine zeeprinsesjes, haar kleindochters, hield. Het waren zes mooie kinderen, maar de jongste was de mooiste van allemaal. Haar huid was zo blank en zo teer als een rozenblaadje, haar ogen zo blauw als het diepste meer, maar ze had geen voeten, net zomin als de anderen: haar lichaam eindigde in een vissenstaart.

Ze speelden de hele dag in het paleis, in de grote zalen, waar levende bloemen uit de muren groeiden. De grote ramen van barnsteen gingen open en dan zwommen de vissen bij ze binnen, zoals bij ons de zwaluwen binnenvliegen als wij de ramen openzetten, maar de vissen zwommen recht op de prinsesjes af, aten uit hun hand en lieten zich aaien. Buiten het paleis was een grote tuin met vuurrode en donkerblauwe bomen. De vruchten glansden als goud en de bloemen als brandend vuur, doordat ze de hele tijd hun stengels en bladeren bewogen. De grond was van het fijnste zand, maar blauw, als de vlam van zwavel. Er lag een wonderlijk blauw schijnsel over alles heen. Je zou eerder denken dat je hoog boven in de lucht was en alleen lucht boven en onder je zag, dan dat je op de bodem van de zee was. Bij echt stil weer kon je de zon zien, die leek op een purperen bloem met een kelk waaruit al het licht stroomde.

Ieder prinsesje had haar eigen plekje in de tuin, waar ze mocht graven en planten wat ze maar wilde. Eentje gaf haar bloementuintje de vorm van een walvis, een ander vond het leuk als haar tuintje op een zeemeermin leek, maar de jongste maakte haar tuintje helemaal rond, net als de zon, en ze had alleen maar roodglanzende bloemen. Het was een wonderlijk kind, stil en in zichzelf gekeerd, en terwijl de andere zusjes hun tuintjes versierden met de gekste dingen die ze uit gestrande schepen hadden gehaald, wilde zij, behalve de rozerode bloemen die op de verre zon leken, alleen een mooi marmeren beeld hebben, in de vorm van een mooie jongen, dat uit glanzend witte Steen was gehakt en bij een schipbreuk op de bodem van de zee terecht was gekomen. Bij het beeld plantte ze een rozerode treurwilg die prachtig groeide en die zijn takken over het beeldje heen liet hangen, tot op de blauwe zandbodem, waar de violette schaduw net als de takken heen en weer bewoog; het leek wel of de top van de boom en de wortels een spelletje deden, waarbij het de bedoeling was dat ze haar kusten.

Ze vond niets leuker dan verhalen over de mensenwereld boven water. Haar oude oma moest alles vertellen wat ze wist over schepen en steden, mensen en dieren. Het leek haar vooral zo bijzonder dat de bloemen op aarde een geur hadden. Op de bodem van de zee was dat niet zo.. en dat de bossen groen waren, en dat de vissen die je daar tussen de takken zag, zo hard en zo mooi konden zingen dat het een lieve lust was. Dat waren de vogeltjes, maar oma noemde ze vissen, want anders begrepen ze haar niet omdat ze nog nooit een vogel hadden gezien.

'Als jullie vijftien worden,' zei oma, 'dan mogen jullie uit de zee opduiken en in de maneschijn op de rotsen zitten kijken naar de grote schepen die voorbijvaren, en dan zul je bossen en steden zien!' Het jaar daarop werd het eerste zusje vijftien, maar de anderen.. tja, de één was een jaar jonger dan de ander. De jongste moest dus nog vijf jaar wachten voordat ze weg mocht van de bodem van de zee, om te zien hoe het er bij ons uitziet. Maar de één beloofde de ander om te vertellen wat ze de eerste dag had gezien, want hun oma had ze niet genoeg verteld; er was zoveel dat ze wilden weten!

Geen van de zusjes was zo vol verlangen als de jongste, juist degene die nog het langst moest wachten, en die zo stil en zo in zichzelf gekeerd was. Vaak stond ze 's nachts aan het open raam door het donkerblauwe water te kijken hoe de vissen hun vinnen en hun staart bewogen. De maan en de sterren kon ze zien. Ze schenen maar heel bleekjes, maar door het water leken ze veel groter dan ze in onze ogen zijn. Als er dan een soort zwarte wolk voor gleed, wist ze dat dit een walvis was die boven haar hoofd zwom of een schip vol mensen. Ze dachten er vast niet aan dat in de diepte een zeemeerminnetje haar blanke handen naar de kiel uitstrekte.

Toen werd de oudste prinses vijftien en mocht ze naar boven.
Toen ze terugkwam, had ze honderd uit te vertellen, maar het heerlijkste, zei ze, was in de maneschijn op een zandbank in de kalme zee te liggen en dicht bij de kust de grote stad te zien waar de lichtjes blonken, alsof het honderd sterren waren, en naar de muziek te luisteren en naar het lawaai en de drukte van rijtuigen en mensen, de vele kerktorens met hun spitsen te zien en te horen hoe de klokken luidden. En juist omdat ze er niet heen kon, verlangde ze daar het meest naar.

O, wat zat het jongste zusje met gespitste oortjes te luisteren. Als ze daarna 's nachts bij het open raam door het diepblauwe water stond te kijken, dacht ze aan de grote stad met al het lawaai en de drukte en dan leek het of ze de kerkklokken kon horen luiden.

Het jaar daarna kreeg het tweede zusje toestemming om naar boven te gaan en overal naar toe te zwemmen, waarheen ze maar wilde. Ze dook op uit het water precies op het moment dat de zon onderging, en dat vond ze het allermooiste om te zien van alles. De hele hemel leek wel van goud, zei ze, en de wolken, hoe schitterend die waren, dat was met geen pen te beschrijven, ze zeilden rood en violet door de lucht. Maar nog veel vlugger dan die wolken was er een troep wilde zwanen. Als een lange, witte sluier scheerden ze over het water, precies daar waar de zon stond. Ze was erheen gezwommen, maar de zon ging onder en de rozige gloed op het wateroppervlak en de wolken doofde uit.

Weer een jaar later mocht het derde zusje naar boven. Ze was het moedigst van allemaal, daarom zwom ze een brede rivier op die in de zee uitmondde. Ze zag lieflijke, groene heuvels met wijngaarden; kastelen en landhuizen die opdoemden uit prachtige bossen. Ze hoorde hoe alle vogels zongen, en de zon scheen zo warm dat ze vaak even moest duiken om haar gezicht af te koelen. In een bocht van de rivier ontmoette ze een hele troep kleine mensenkinderen; die liepen helemaal bloot in het water te spetteren. Ze wilde met ze spelen, maar ze liepen verschrikt weg en er was een klein, zwart beest gekomen, dat was een hond, maar ze had nog nooit een hond gezien. Hij blafte zo verschrikkelijk naar haar dat ze bang werd en naar de open zee ging, maar ze zou de prachtige bossen, de groene heuvels en de schattige kinderen die in het water konden zwemmen, ook al hadden ze geen vissenstaart, nooit vergeten.

Het vierde zusje was niet zo dapper. Ze bleef op de wilde zee en ze zei dat dat nou juist zo heerlijk was. Je kon heel ver kijken en de lucht boven je hoofd leek net een grote, glazen stolp. Ze had schepen gezien, maar alleen heel in de verte, het leken net meeuwen. En de dolfijnen waren zo leuk aan het kopje duikelen, en grote walvissen spoten water door hun neusgaten, het leken wel honderden fonteinen.

Toen was het vijfde zusje aan de beurt. Zij was in de winter jarig en daarom zag ze wat de anderen de eerste keer niet hadden gezien. De zee was helemaal groen en er dreven grote ijsbergen rond. Iedere ijsberg leek op een grote parel, zei ze, maar dan veel groter dan de kerktorens die de mensen bouwden. Ze namen de wonderlijkste gedaanten aan en ze fonkelden als diamanten. Ze was op één van de grootste ijsbergen gaan zitten en alle zeilboten voeren er geschrokken omheen, terwijl zij de wind door haar lange haren liet spelen. 's Avonds betrok de hemel, het bliksemde en donderde, terwijl de zwarte zee de grote stukken ijs hoog optilde en de hevige bliksem ze deed glanzen. Op de schepen lieten ze de zeilen neer, het was me een angst en een schrik, maar zij bleef rustig op haar drijvende ijsberg zitten kijken hoe de blauwe bliksemschichten over het glanzende water zigzagde.

De eerste keer dat de zusjes boven water kwamen, waren ze altijd verrukt van de nieuwe en mooie dingen die ze zagen, maar nu ze volwassen waren en naar boven mochten wanneer ze maar wilden, kon het ze niet meer schelen. Ze verlangden weer naar huis en na een maand zeiden ze dat het bij hen toch het allermooiste was, en bleven ze gezellig thuis. Maar soms gaven de zusjes elkaar een arm en dan stegen ze in een rij uit het water op. Ze hadden prachtige stemmen, lieflijker dan die van mensen, en als er dan storm kwam opzetten en ze dachten dat er schepen zouden vergaan, gingen ze voor de schepen uit zwemmen en dan zongen ze heel mooi over hoe fantastisch het op de bodem van de zee was en ze vroegen de zeelieden om niet bang te zijn dat ze daar terecht zouden komen. Maar die verstonden de woorden niet, ze dachten dat het de storm was en ze kregen al dat moois ook niet te zien, want als het schip zonk, verdronken de mensen en dan kwamen ze dood bij het paleis van de zeekoning aan.

Als de zusjes zo 's avonds, arm in arm, uit de zee opstegen, dan stond het jongste zusje ze helemaal alleen na te kijken en het leek wel of ze moest huilen, maar een zeemeermin heeft geen tranen en dus lijdt ze veel meer.
'Ach, was ik maar alvast vijftien,' zei ze, 'ik weet zeker dat ik veel van de wereld en de mensen die daar wonen, zal houden.'

Eindelijk werd ze vijftien. 'Zo, nu ben jij ook groot,' zei haar oma, de oude koningin-weduwe. 'Kom, dan maak ik je mooi, net als je zusjes.' Ze zette haar een krans van witte lelies op, maar ieder bloemblad was de helft van een parel, en de oude vrouw liet acht grote oesters zich vastklemmen aan de staart van de prinses om te laten zien dat ze van hoge komaf was. 'Het doet zo'n pijn,' zei de kleine zeemeermin. 'Tja, wie mooi wil zijn, moet pijn lijden!' zei de oude vrouw.

O, wat had ze graag al dat moois van zich afgeschud en de zware krans afgedaan. De rode bloemen in haar tuintje pasten veel beter bij haar, maar nu durfde ze het niet meer te veranderen. 'Daag,' zei ze en ze steeg op, zo licht en zo doorzichtig als een luchtbel.

De zon was net ondergegaan toen ze haar hoofd boven water stak, maar de wolken glansden nog als rozen van goud en midden in de bleekrode lucht stond de avondster helder te stralen. De lucht was zacht en fris en de zee was kalm. Er lag een groot schip waarvan maar één zeil gehesen was, want er stond geen zuchtje wind. In het want en op de raas zaten matrozen. Er klonk muziek en gezang en toen het donker werd, gingen er honderden gekleurde lantaarns aan. Het leek wel of de vlaggen van alle landen daar wapperden. De kleine zeemeermin zwom naar het raam van de kajuit en iedere keer als ze door de golven werd opgetild, kon ze door de glasheldere ramen naar binnen kijken, waar heel veel mooi aangeklede mensen stonden. Maar het mooist was toch de prins, met zijn grote, zwarte ogen. Hij was niet veel ouder dan zestien, hij was jarig en daar was al die pracht en praal voor. De matrozen dansten op het dek en toen de jonge prins naar buiten kwam, stegen er meer dan honderd vuurpijlen op. Het was zo licht als op klaarlichte dag, zodat de kleine zeemeermin van schrik onder water dook, maar ze stak haar hoofd gauw weer boven water en toen leek het alsof alle sterren van de hemel op haar neerkwamen. Zo'n vuurwerk had ze nog nooit gezien. Grote zonnen draaiden rond, schitterende vissen van vuur spartelden in de blauwe lucht en de heldere, kalme zee weerkaatste alles. Op het schip zelf was het zo licht dat je ieder touwtje kon zien, dus de mensen al helemaal. Tjonge, wat was de prins mooi. Hij gaf de zeelui een hand, hij was vriendelijk en hij lachte, terwijl de muziek weerklonk in de nacht.

Het werd laat, maar de kleine zeemeermin kon haar ogen niet van het schip en de mooie prins afhouden. De gekleurde lantaarns gingen uit, er stegen geen vuurpijlen meer op, er weerklonken ook geen kanonschoten meer, maar diep in de zee rommelde en stommelde het. De kleine zeemeermin deinde intussen op de golven op en neer, zodat ze in de kajuit kon kijken. Maar het schip kreeg meer vaart, het ene zeil na het andere werd gehesen, de golven gingen hoger, er kwamen grote wolken opzetten, het bliksemde in de verte. 0, wat een vreselijk weer zou het worden! De matrozen haalden de zeilen in. Op en neer ging het grote schip, in vliegende vaart over de woeste zee. Het water rees als grote, zwarte bergen die zich op de mast wilden storten, maar het schip dook als een zwaan tussen de hoge golven en liet zich weer door het optorende water optillen. De kleine zeemeermin vond dat het lekker snel ging, maar de zeelui dachten daar anders over. Het schip kraakte en kreunde, de dikke planken kromden zich onder de harde windstoten, de golven sloegen over het schip, de mast knakte doormidden en het schip maakte slingerend slagzij, terwijl het water het ruim binnendrong. Toen zag de kleine zeemeermin dat ze in gevaar waren. Zelf moest ze ook uitkijken voor de balken en wrakstukken van het schip, die op het water dreven. Het ene ogenblik was het zo pikdonker dat ze niets zag, maar als het bliksemde werd het weer zo licht dat ze iedereen op het schip kon zien. Iedereen probeerde zich zo goed en zo kwaad als het ging te redden. Ze keek vooral uit naar de jonge prins en toen het schip in tweeën werd gespleten, zag ze hem in de diepe zee zinken. Het eerste moment was ze daar blij om, want nu kwam hij naar haar toe. Maar toen dacht ze er weer aan dat mensen niet in het water kunnen leven en dat hij niet naar haar vaders paleis zou kunnen komen, behalve als hij dood was. Maar doodgaan mocht hij niet. Dus zwom ze tussen de planken en balken die in het water dreven door, zonder eraan te denken dat die haar konden verpletteren.

Ze dook diep onder en kwam op de golven weer omhoog, en eindelijk was ze dan bij de prins, die in de woeste zee bijna niet meer kon zwemmen. Zijn armen en benen begonnen moe te worden, zijn mooie ogen sloten zich; hij zou gestorven zijn als de kleine zeemeermin er niet was geweest. Ze hield zijn hoofd boven water en liet zich met hem door de golven dragen waarheen die maar wilden.

De volgende ochtend was het noodweer voorbij; van het schip was en geen spaan meer heel. De zon steeg roodglanzend uit het water op. Het leek net of er daardoor weer kleur op de wangen van de prins kwam, maar zijn ogen waren nog steeds gesloten. De zeemeermin kuste zijn mooie, hoge voorhoofd en streek de natte haren uit zijn gezicht. Ze vond dat hij op het marmeren beeld in haar tuintje leek, ze kuste hem nog eens en ze wenste dat hij in leven zou blijven.

Toen zag ze het vasteland voor zich: hoge, blauwe bergen waar op de toppen de witte sneeuw blonk, alsof daar zwanen lagen. Bij de kust zag ze prachtige, groene bossen en daarvoor lag een kerk of een klooster, dat wist ze niet precies, maar een gebouw was het in elk geval. Er groeiden citroen- en sinaasappelbomen in de tuin en voor de poort stonden hoge palmen. De zee had hier een kleine inham. Hij was kalm, maar heel diep, tot aan de rots waar fijn, wit zand op was gespoeld. Daar zwom ze met de mooie prins naar toe. Ze legde hem in het zand, maar zorgde en vooral voor dat zijn hoofd hoog kwam te liggen, in de warmte van de zon.

Toen luidden de klokken in het grote, witte gebouw en er kwamen een heleboel jonge meisjes aan door de ruin. De kleine zeemeermin zwom wat verder weg en ging achter een paar hoge rotsblokken zitten die uit het water staken. Ze bedekte heur haar en haar borst met zeeschuim, zodat niemand haar gezicht kon zien, en ze ging zitten opletten wie er naar de arme prins toe kwam.

Het duurde niet lang of er kwam een jong meisje aan. Ze leek erg te schrikken, maar dat was zo over. Toen haalde ze er andere mensen bij en de zeemeermin zag dat de prins weer bijkwam en glimlachte naar de mensen om hem heen. Maar naar haar lachte hij niet, want hij wist immers niet dat zij hem had gered. Ze was zo teleurgesteld dat ze, toen hij naar het grote gebouw werd gebracht, bedroefd onder water dook en het paleis van haar vader weer opzocht.

Ze was altijd al zo stil en in zichzelf gekeerd, maar nu nog veel meer. Haar zusjes vroegen haar wat ze de eerste keer boven water had gezien, maar ze zei niets. 's Avonds en 's morgens zwom ze vaak naar de plek waar ze de prins had achtergelaten. Ze zag hoe de vruchten in de tuin rijpten en geplukt werden, ze zag hoe de sneeuw op de hoge bergen smolt, maar de prins zag ze niet en daarom kwam ze iedere keer nog bedroefder weer thuis. Het was haar enige troost om in haar tuintje te zitten met haar armen om het mooie, marmeren beeld heen, dat op de prins leek, maar haar bloemen, daar zorgde ze niet voor, die groeiden in het wilde weg over de paden en hun lange stengels en hun bladeren raakten verstrengeld in de takken van de bomen, zodat het er heel donker was.

Op het laatst kon ze het niet meer uithouden en vertelde ze het aan één van haar zusjes, en die vertelde het meteen verder, maar alleen aan haar zusjes, en aan een paar andere zeemeerminnen die het niet verder zouden vertellen, behalve aan hun beste vriendinnen. Eén van hen wist wie de prins was. Ze had het feest op het schip ook gezien en wist waar hij vandaan kwam en waar zijn koninkrijk lag. 'Kom zusje,' zeiden de andere prinsessen en met de armen om elkaar schouders stegen ze in een lange rij uit de zee op, daar waar ze wisten dat het paleis van de prins lag.

Dat was van een lichtgele, glanzende steensoort gebouwd, met grote marmeren trappen. Eén ging er recht naar de zee. Schitterende vergulde koepels verhieven zich boven op het dak en tussen de zuilen die rond het gebouw liepen, stonden marmeren beelden die net echt leken. Door het heldere glas in de hoge ramen keek je naar binnen in de prachtigste zalen, waar kostbare zijden gordijnen en wandtapijten hingen en de wanden waren opgesierd met grote schilderijen, een lust voor het oog. Midden in de grootste zaal klaterde een enorme fontein. De stralen kwamen helemaal tot aan de glazen koepel in het plafond, waar de zon doorheen scheen, om weer neer te komen op de prachtige planten die in het grote bassin groeiden.
Nu wist ze waar hij woonde, en 's avonds en 's nachts kwam ze vaak op die plek boven. Ze zwom veel dichter aan land dan één van de anderen ooit gedurfd had, ze ging zelfs de smalle gracht in tot onder het prachtige, marmeren balkon, dat een lange schaduw oven het water wierp. Daar zat ze dan naar de jonge prins te kijken, die dacht dat hij helemaal alleen was in de heldere maneschijn.

's Avonds zag ze hem vaak in zijn prachtige boot varen, de muziek weerklonk en de vlaggen wapperden. Ze keek tussen het groene riet door en als de wind haar lange, zilverwitte sluier te pakken kreeg en iemand het zag, dan dachten ze dat het een zwaan was die zijn vleugels uitsloeg. 's Nachts, als de vissers met hun lampen aan op zee lagen, hoorde ze hoe ze vaak veel goeds over de jonge prins vertelden, en het deed haar plezier dat ze zijn leven had gered toen hij halfdood in de golven lag. En ze dacht eraan hoe stevig zijn hoofd op haar borst had gerust en hoe innig ze hem toen had gekust. Hij wist daar niets van, bij droomde zelfs niet van haar. Ze begon steeds meer van de mensen te houden, ze wenste steeds meer dat ze bij hen kon zijn. Hun wereld leek haar veel groter dan de hare. Zij konden immers op schepen oven de zee vliegen, de hoge bergen beklimmen tot boven de wolken, en de landen die ze bezaten, strekten zich, met hun bossen en velden, verder uit dan zij kon kijken. En was zoveel dat ze graag wilde weten, maar haar zusjes konden niet overal antwoord op geven. Daarom vroeg ze het aan haar oma, en die wist veel over de hogere wereld, die ze heel juist de landen boven de zee noemde.

'Als de mensen niet verdrinken,' vroeg de kleine zeemeermin, 'blijven ze dan altijd leven, gaan ze niet dood net als de zeemensen?'
'Jawel hoor,' zei de oude vrouw, 'ze gaan ook dood en hun leven is zelfs nog korter dan het onze. Wij kunnen driehonderd jaar worden, maar als we dan ophouden te bestaan, worden we schuim op het water en hebben we niet eens een graf hier bij onze dierbaren. Wij hebben geen onsterfelijke ziel, wij krijgen nooit meer leven, wij zijn als het groene riet: als dat eenmaal is afgesneden, wordt het nooit meer groen. De mensen daarentegen, die hebben een ziel die blijft leven, ook nadat het lichaam weer stof is geworden. Die ziel stijgt door de lucht op naar alle sterren die schijnen. Zoals wij uit de zee opduiken en de landen van de mensen zien, zo duiken zij op naar mooie, onbekende plaatsen, die wij nooit te zien zullen krijgen.'

'Waarom hebben wij geen onsterfelijke ziel?', vroeg de kleine zeemeermin bedroefd. 'Ik zou al die honderden jaren die ik te leven heb ervoor geven om mens te zijn, al was het maar voor een dag, om tenslotte in de hemelse wereld te komen.'

'Daar moet je niet aan denken,' zei de oude vrouw. 'Wij zijn veel gelukkiger en we hebben het veel beter dan de mensen boven de zee.'

'Ik moet dus sterven en als schuim op de zee drijven, de muziek van de golven niet meer horen en de mooie bloemen en de rode zon niet meer zien. Kan ik dan helemaal niets doen om een onsterfelijke ziel te krijgen?'

'Nee,' zei de oude vrouw, 'alleen als een mens je zo lief zou hebben dat je meer voor hem betekende dan zijn vader en moeder. Als hij met al zijn gedachten en al zijn liefde bij je zou zijn en de priester zijn rechterhand in de jouwe liet leggen met een belofte van trouw, nu en in alle eeuwigheid, dan zou zijn ziel in jouw lichaam vloeien en dan zou je ook deel krijgen in het geluk van de mensen. Hij zou jou dan zijn ziel geven en zijn eigen ziel toch houden. Maar dat kan niet gebeuren. Wat hier in de zee nou juist zo mooi is, dat is jouw vissenstaart, en dat vinden ze op aarde lelijk, ze weten nu eenmaal niet beter. Daar moet je twee onhandige pilaren hebben, benen noemen ze dat, om mooi te zijn.'

Toen zuchtte de kleine zeemeermin, en ze keek bedroefd naar haar vissenstaart. 'Laten we toch blij zijn,' zei de oude vrouw. 'Wij zullen die driehonderd jaar dat we te leven hebben vrolijk ronddartelen, dat is ook wel genoeg en daarna kun je des te genoeglijker uitrusten in je graf. Wees blij!Vanavond is het hofbal!'

En dat was me een pracht, een pracht zoals wij het hier op aarde nooit te zien zullen krijgen. De muren en het plafond in de grote balzaal waren van dik, helder glas. En stonden honderden kolossale schelpen aan de zijkanten, rozerode en grasgroene met een blauw vuur dat de hele zaal verlichtte en door de muren heen scheen, zodat de zee buiten helemaal verlicht was. Je kon al de ontelbare vissen zien, kleine en grote, die naar de glazen muur toe zwommen. Van sommige glommen de schubben purperrood, van andere leken ze wel van zilver of goud. Midden door de zaal liep een brede, stromende rivier, en daar dansten zeemeermannen en zeemeerminnen op de maat van hun eigen lieflijke gezang. Zulke mooie stemmen hebben de mensen op aarde niet. De kleine zeemeermin zong het mooist van allemaal en ze klapten in hun handen voor haar. Heel even voelde ze vreugde in haar hart, want ze wist dat ze de mooiste stem had van iedereen op aarde en in de zee. Maar al gauw moest ze weer aan de wereld boven de zee denken. Ze kon de mooie prins maar niet vergeten, net zomin als haar verdriet dat ze niet net als hij een onsterfelijke ziel had. Daarom sloop ze het paleis van haar vader in en terwijl het daar één en al gezang en vrolijkheid was, zat zij in haar tuintje. Toen hoorde ze de scheepshoorn door het water heen klinken en ze dacht: 'Hij vaart daar nu vast rond, de prins van wie ik meer houd dan van mijn vader en moeder, de prins aan wie al mijn gedachten zijn gewijd en in wiens hand ik het geluk van mijn leven wil leggen. Alles waag ik om hem en een onsterfelijke ziel te winnen! Terwijl mijn zusjes in het paleis van mijn vader dansen, ga ik naar de zeeheks, voor wie ik altijd zo bang ben geweest, maar die me misschien met goede raad kan bijstaan.'

Toen ging de kleine zeemeermin haar tuintje uit, naar de bruisende maalstromen waarachter de heks woonde. Die weg had ze nog nooit gelopen. En groeiden geen bloemen, geen zeegras, niets. En was alleen maar de kale, grauwe zandbodem, tot aan de maalstromen waar het water rondwentelde. Het zag eruit als een bruisend schoepenrad, dat alles wat het te pakken kreeg meesleurde, de diepte in. Ze moest tussen die verpletterende maalstromen door om in het gebied van de zeeheks te komen, en er was geen andere weg dan dwars door een heet, borrelend moeras heen. De heks noemde dat haar veengronden. Daarachter lag haar huis, in een wonderlijk bos.

Alle bomen en struiken waren poliepen, half dier en half plant, het leken honderdkoppige slangen die uit de grond groeiden. De takken waren lange, slijmerige armen en de vingers beweeglijke wormen, ze konden ieder stukje bewegen, van de wortel tot aan de punt. Ze slingerden zich rond alles in de zee wat ze maar te pakken konden krijgen, om het nooit meer los te laten. De kleine zeemeermin bleef heel verschrikt aan de rand van het wonderlijke bos staan. Haar hart bonste van angst, ze was bijna omgekeerd, maar toen dacht ze aan de prins en aan de onsterfelijke ziel van de mens, en toen kreeg ze moed. Haar lange, wapperende haren bond ze strak om haar hoofd, zodat de poliepen dat niet konden vastgrijpen, haar beide handen hield ze op haar borst en toen schoot ze vooruit, zoals vissen door het water schieten, tussen die enge poliepen door die hun kronkelende amen en vingers naar haar uitstrekten. Ze zag dat iedere poliep iets vast had wat hij ooit had vastgegrepen, honderden armpjes hielden het vast, zo stevig als ijzeren handen. De mensen die op zee waren omgekomen en die waren gezonken, keken als witte geraamten tussen de armen van de poliepen door. Scheepsmoeren en kisten hielden ze vast, geraamten van landdieren, en een kleine zeemeermin die ze gevangen en gewurgd hadden. Dat vond ze bijna nog het ergste. Toen kwam ze bij een grote, slijmerige plek in het bos, waar verre, glibberige wateradders rondspartelden en hun lelijke, geelwitte buik lieten zien. Midden op die open plek was van de witte beenderen van verdronken mensen een huis gebouwd. Daar was de zeeheks bezig om een pad uit haar mond te laten eten, zoals mensen een kanarie een suikerklontje uit hun mond laten pakken. De enge, vette wateradders noemde ze haar kuikentjes en ze liet ze ronddraaien op haar grote, weke borst.

'Ik weet wel wat jij wilt,' zei de zeeheks. 'Het is dom van je, maar je krijgt wel je zin, want het zal je in het ongeluk storten, mijn mooie prinsesje. Je wilt graag van je vissenstaart af en in plaats daarvan twee stompjes hebben om op te lopen, net als de mensen, zodat de jonge prins verliefd op je wordt en je hem kunt krijgen en een onsterfelijke ziel.' De heks lachte daar zo hard en zo akelig bij dat de pad en de adders op de grond vielen, waar ze verder spartelden. 'Je bent net op tijd,' zei de heks. 'Morgen als de zon opgaat, had ik je niet meer kunnen helpen; pas weer als er een jaar voorbij was. Ik zal een drankje voor je maken. Daarmee moet je, vóór de zon opgaat, aan land zwemmen en het op het strand opdrinken. Dan gaat je staart splijten en inkrimpen tot wat de mensen mooie benen noemen, maar het doet wel pijn, het is net of er een scherp zwaard door je been gaat. Alle mensen die je zien zullen zeggen dat je het mooiste mensenkind bent dat ze ooit hebben gezien. Je houdt je zwevende tred, geen danseres kan zo bewegen als jij, maar iedere stap die je zet, voelt aan alsof je op een scherp mes trapt. Wanneer je dat allemaal wilt verdragen, dan zal ik je helpen.'

'Ja,' zei de kleine zeemeermin en ze dacht aan de prins en aan het hebben van een onsterfelijke ziel. 'Maar onthoud goed,' zei de heks. 'Als je eenmaal een menselijke gedaante hebt aangenomen, kun je nooit meer een zeemeermin worden. Je kunt nooit meer naar je zusjes en naar het paleis van je vader onder water gaan, en als je de liefde van de prins niet wint, zodat hij voor jou zijn vader en moeder vergeet, zodat hij met al zijn gedachten bij jou is, en de priester jullie handen in elkaar laat leggen, zodat jullie man en vrouw worden, dan krijg je geen onsterfelijke ziel. De ochtend nadat hij met een ander is getrouwd, moet je hart breken en word jij schuim op het water.

'Ik wil het,' zei de kleine zeemeermin en ze was lijkbleek. 'Maar mij moet je ook betalen,' zei de heks, 'en ik eis niet weinig. Je hebt de mooiste stem van iedereen op de bodem van de zee; je denkt zeker dat je hem daarmee kunt betoveren, maar die stem moet je mij geven. Het beste wat je hebt, wil ik in ruil voor mijn kostelijke drankje. Mijn eigen bloed moet ik er in doen, zodat het drankje zo scherp wordt als een tweesnijdend zwaard!'

'Maar als je mijn stem afneemt,' vroeg de kleine zeemeermin, 'wat houd ik dan nog over?'
'Je beeldige figuurtje,' zei de heks, 'je zwevende tred en je sprekende ogen, daar kun je een mensenhart wel mee bekoren. Nou, komt er nog wat van? Steek je tongetje maar uit, dan snijd ik het eraf als betaling, en krijg jij het krachtige drankje.'

'Zo zij het,' zei de kleine zeemeermin en de heks zette haar ketel op om het toverdrankje te koken. 'Hygiëne is een schone zaak,' zei ze en ze schuurde de ketel met de adders die ze eerst tot een knoedeltje samenbond. Toen maakte ze een sneetje in haar borst en liet haar zwarte bloed erin druppelen. De damp vormde de wonderlijkste gestalten, je zou er bang van worden. Telkens stopte de heks nieuwe dingen in de ketel en toen het flink kookte, was het net alsof er tranen van een krokodil opstegen uit de ketel. Eindelijk was het drankje klaar, het leek op het zuiverste water. 'Hier heb je het,' zei de heks en ze sneed de kleine zeemeermin haar tong af, zodat ze stom werd en niet meer kon zingen of praten.
'Als de poliepen je op de terugweg door mijn bos willen pakken,' zei de heks, 'dan giet je gewoon een druppel van het drankje over ze heen, dan springen hun armen en hun vingers in duizend stukken.' Maar dat hoefde de kleine zeemeermin niet te doen: de poliepen weken verschrikt voor haar achteruit toen ze het doorschijnende drankje in haar hand zagen. Zo was ze gauw door het bos, het moeras en de kokende maalstromen heen.
Ze kon het paleis van haar vader zien. De fakkels in de grote balzaal waren uit. Ze sliepen zeker allemaal, maar ze durfde ze niet op te zoeken, nu ze stom was en hen voor altijd zou verlaten. Het leek alsof haar hart zou breken van verdriet. Ze sloop de tuin in, nam van elk van de bloembedden van haar zusjes een bloem, gaf duizend kushandjes in de richting van het paleis en steeg door de diepblauwe zee omhoog.

De zon had zich nog niet laten zien, toen ze het paleis van de prins zag en de prachtige marmeren trap beklom.
De maan scheen heel helder.
De kleine zeemeermin dronk het brandend scherpe drankje op en het leek of er een tweesnijdend zwaard door haar tere lichaam ging. Ze viel flauw en bleef als dood liggen. Toen de zon over de zee scheen, werd ze wakker en ze voelde een vlijmende pijn, maar voor haar stond de mooie, jonge prins. Hij liet zijn koolzwarte ogen op haar rusten, zodat zij de hare neersloeg, en ze zag dat haar vissestaart weg was en dat ze de beeldigste blanke benen had die een meisje maar kon hebben. Maar ze was helemaal naakt, daarom hulde ze zich in haar lange haren.

De prins vroeg wie ze was en hoe ze daar gekomen was en zij keek hem met haar diepblauwe ogen heel lief en tegelijk heel bedroefd aan; praten kon ze immers niet. Toen nam hij haar bij de hand en leidde haar het paleis binnen. Bij iedere stap die ze zette, voelde ze, zoals de heks haar had voorspeld, dat ze op spitse priemen en scherpe messen trapte, maar dat had ze er best voor over. Aan de hand van de prins liep ze zo licht als een luchtbel naar boven, en hij en alle anderen waren verbaasd over haar bevallige, zwevende tred.

Kostbare kleren van zijde en mousseline kreeg ze aan, ze was de mooiste van iedereen in het paleis, maar ze was stom, ze kon niet zingen of praten. Mooie slavinnen, gekleed in zijde en goud, kwamen voor de prins en zijn koninklijke ouders zingen. Eentje zong er mooier dan alle anderen en de prins klapte in zijn handen en lachte naar haar. Toen was de kleine zeemeermin bedroefd, ze wist dat ze zelf veel mooier had kunnen zingen. Ze dacht: 'Hij moest eens weten dat ik om bij hem te zijn, mijn stem voor eeuwig heb weggegeven.'

Toen gingen de slavinnen dansen; bevallig en luchtig dansten ze op de heerlijkste muziek, en de kleine zeemeermin hief haar mooie, blanke amen op, ging op haar tenen staan en zweefde over de vloer. Ze danste zoals nog niemand ooit had gedanst. Bij iedere beweging kwam haar schoonheid beter uit en haar ogen spraken dieper tot het hart dan de zang van de slavinnen.

Iedereen was er verrukt over, vooral de prins, die haar zijn kleine vondeling noemde, en ze danste alsmaar door, hoewel het iedere keer dat haar voeten de grond raakte, voelde alsof ze op scherpe messen trapte.

De prins zei dat ze altijd bij hem moest blijven en ze mocht op een fluwelen kussen voor zijn deur slapen.

Hij liet een pagekostuum voor haar maken zodat ze met hem mee uit rijden kon gaan. Ze reden door de geurige bossen waar de groene takken haar tegen de schouders sloegen en waar de vogeltjes zongen in het frisse groen. Ze beklom hoge bergen met de prins en hoewel haar tere voetjes zo bloedden dat de anderen het zagen, lachte zij erom en ging zo hoog met hem mee dat ze de wolken onder zich door zagen zeilen, als een troep vogels die naar vreemde oorden trok.

In het paleis van de prins ging ze, als de anderen 's nacht sliepen, de brede marmeren trap af en zocht verkoeling voor haar brandende voeten door in het koude zeewater te gaan staan, en dan dacht ze aan iedereen in de diepte.

Op een nacht stegen haar zusjes uit de diepte omhoog, arm in arm, ze zongen vol droefheid terwijl ze door het water zwommen, en zij zwaaide naar ze en ze herkenden haar en vertelden hoeveel verdriet ze iedereen had gedaan.

Daarna bezochten ze haar iedere nacht, en op een nacht zag ze, heel in de verte, haar oude oma, die al jaren niet meer boven water was geweest, en de zeekoning met zijn kroon op het hoofd. Ze strekten hun handen naar haar uit, maar ze durfden niet zo dicht aan land te komen als haar zusjes.

Met de dag werd ze de prins dierbaarder. Hij hield van haar zoals je van een lief, braaf kind houdt, maar haar tot zijn koningin maken, daar kwam hij niet op. En zijn vrouw worden moest ze, anders kreeg ze geen onsterfelijke ziel, maar zou ze op de morgen na zijn bruiloft schuim op de zee worden.

'Hou je niet meer van mij dan van alle anderen?' schenen de ogen van de kleine zeemeermin te vragen, als hij haar in zijn armen nam en haar mooie voorhoofd kuste.

'Ja, jij bent me het liefst,' zei de prins, 'want je hebt het beste hart van iedereen, jij bent het meest aan me gehecht en je lijkt op een meisje dat ik eens heb gezien, maar van wie ik vrees dat ik haar nooit meer terug zal vinden. Ik was op een schip dat strandde, de golven droegen me aan land bij een gewijde tempel, waar jonge meisjes in dienst waren.

De jongste, die mij op het strand vond en die mijn leven heeft gered, heb ik maar twee keer gezien. Zij was de enige in deze wereld die ik zou kunnen liefhebben, en jij lijkt op haar. Je hebt haar beeld in mijn ziel bijna verdrongen. Ze is aan de tempel gewijd en daarom heeft mijn goede gesternte me jou gestuurd. Wij gaan nooit uit elkaar!'

'Ach, hij weet niet dat ik zijn leven heb gered', dacht de kleine zeemeermin. 'Ik heb hem door de zee naar het bos gedragen waar de tempel staat. Ik zat achter het zeeschuim te kijken of er niet iemand zou komen. Ik zag dat mooie meisje van wie hij meer houdt dan van mij.' En de zeemeermin zuchtte diep, want huilen kon ze niet.

'Het meisje is aan de tempel gewijd, heeft hij gezegd, ze komt nooit in de buitenwereld, ze zien elkaar nooit meer en ik ben bij hem, ik zie hem iedere dag, ik zal voor hem zorgen, van hem houden en mijn leven voor hem offeren', dacht ze.

'De prins gaat trouwen met de mooie dochter van de buurkoning!', zei men. 'Hij rust een prachtig schip uit! De prins gaat op reis om het land van die koning te zien, maar hij gaat eigenlijk om zijn dochter te zien; een groot gevolg krijgt hij mee!' De kleine zeemeermin schudde lachend haar hoofd. Ze kende de gedachten van de prins veel beter dan alle anderen. 'Ik moet op reis,' had hij tegen haar gezegd. 'Ik moet de mooie prinses zien, dat willen mijn ouders, maar me dwingen om haar hier naartoe te brengen als mijn bruid, dat kunnen ze niet. Ik kan niet van haar houden. Ze lijkt niet op het mooie meisje in de tempel, op wie jij lijkt. Als ik ooit een bruid moest kiezen, dan zou ik nog eerder jou kiezen, mijn stomme vondeling met je sprekende ogen,' en hij kuste haar rode mond, speelde met haar lange haar en legde zijn hoofd aan haar hart, zodat het droomde van mensengeluk en een onsterfelijke ziel.

'Je bent toch niet bang voor de zee, mijn stomme kindje?' vroeg hij toen ze op het prachtige schip stonden dat hem naar het land van de buurkoning zou brengen. En hij vertelde haar over storm en over kalme zee, over vreemde vissen in de diepte en over wat de duikers daar hadden gezien, en zij glimlachte bij zijn woorden. Ze wist beter dan wie ook hoe het op de bodem van de zee was.

's Nachts in het heldere maanlicht, als iedereen sliep, behalve de stuurman die aan het roer stond, zat ze bij de reling van het schip in het heldere water te staren en ze meende het paleis van haar vader te zien. Boven op het paleis stond haar oude oma met de zilveren kroon op haar hoofd. Ze staarde door de sterke stroom naar de kiel van het schip. Toen kwamen haar zusjes boven water, ze staarden haar verdrietig aan en wrongen hun blanke handen. Zij zwaaide naar hen, ze glimlachte en wilde vertellen dat het haar goed ging en dat ze gelukkig was, maar de scheepsjongen kwam eraan en de zusjes doken onder, zodat hij in de waan bleef dat het witte dat hij gezien had, schuim op het water was.

De volgende morgen zeilde het schip de haven binnen van de schitterende stad van de buurkoning. Alle kerkklokken luidden en van de hoge torens klonk bazuingeschal, terwijl de soldaten met wapperende vaandels en blinkende bajonetten stonden aangetreden. Iedere dag was het feest, het ene bal was nog niet voorbij of er was weer een partij, maar de prinses was er nog niet. Ze werd ver weg in een tempel opgevoed, zeiden de mensen, daar leerde ze alle koninklijke deugden. Eindelijk kwam ze.

De kleine zeemeermin keek ernaar uit om haar schoonheid te zien en ze moest toegeven dat ze nog nooit een bevalliger persoontje had aanschouwd. Haar huid was heel teer en blank en achter de lange, donkere wimpers lachten een paar trouwe, diepblauwe ogen.

'Jij bent het!' zei de prins. 'Jij, die me hebt gered toen ik voor dood aan de kust lag!' En hij nam zijn blozende bruid in zijn armen. 'Ik ben zo gelukkig,' zei hij tegen de kleine zeemeermin. 'Het beste, dat wat ik nooit had durven wensen, is in vervulling gegaan. Jij zult ook blij zijn met mijn geluk, want je houdt meer van mij dan alle anderen.' De kleine zeemeermin kuste zijn hand en ze dacht dat ze al kon voelen hoe haar hart brak.

De ochtend na zijn bruiloft zou haar dood betekenen en haar in schuim op de zee veranderen.

Alle kerkklokken luidden, herauten reden door de straten om de verloving aan te kondigen. Op alle altaren werden kostbare, zilveren lampen met geurige olie aangestoken.

De priesters zwaaiden met hun wierookvaten en bruid en bruidegom reikten elkaar de hand en kregen de zegen van de bisschop.

De kleine zeemeermin stond, in zijde en goud gekleed, de sleep van de bruid op te houden. Maar haar oren hoorden de feestelijke muziek niet, haar ogen zagen de gewijde ceremonie niet, ze dacht aan haar doodsnacht en aan alles wat ze in deze wereld had verloren.

Diezelfde avond nog gingen bruid en bruidegom aan boord van het schip. De kanonnen weerklonken, alle vlaggen wapperden en midden op het schip was er een koninklijke tent opgericht, van goud en purper en met de heerlijkste kussens. Daar zou het bruidspaar de stille, koele nacht doorbrengen. De zeilen bolden op in de wind en het schip gleed glad en zonder veel beweging over de heldere zee. Toen het begon te schemeren, werden er kleurige lampen aangestoken en dansten de zeelui vrolijk op het dek.

De kleine zeemeermin moest denken aan de eerste keer dat ze uit de zee was opgedoken en dezelfde pracht en vrolijkheid had gezien. Ze liet zich meevoeren door de dans, en ze wervelde rond, zwevend zoals de zwaluw zweeft als hij achtervolgd wordt, en iedereen jubelde vol bewondering voor haar. Ze had nog nooit zo verrukkelijk gedanst. Het sneed als scherpe messen in haar tere voetjes, maar ze voelde het niet, het sneed nog veel pijnlijker in haar hart. Ze wist dat het de laatste avond was dat ze hem zag, de prins voor wie ze haar familie en haar huis had verlaten, haar mooie stem had gegeven en iedere dag oneindige kwellingen had doorstaan, zonder dat hij er een idee van had. Het was de laatste nacht dat ze dezelfde lucht inademde als hij, de diepe zee zag, en de heldere sterrenhemel. Een eeuwige nacht, zonder gedachten en dromen, wachtte haar, want ze had geen ziel en kon die ook niet krijgen. En op het schip was het één en al vreugde en vrolijkheid, tot ver na middernacht. Ze lachte en danste mee, met de dood in haar hart.

De prins kuste zijn mooie bruid en zij speelde met zijn zwarte haren, en gearmd gingen ze de prachtige tent in en legden zich te ruste.

Het werd stil op het schip, alleen de stuurman stond aan het roer. De kleine zeemeermin legde haar blanke armen op de reling en keek of ze in het oosten het morgenrood zag, want de eerste zonnestraal, wist ze, zou haar doden. Maar toen zag ze haar zusjes uit de zee opstijgen, net zo bleek als zijzelf. Hun mooie, lange haar fladderde niet meer in de wind, want het was afgeknipt.

'We hebben het aan de heks gegeven om hulp van haar te krijgen, zodat je vannacht niet zult sterven. Ze heeft ons een mes gegeven, hier, kijk maar hoe scherp. Vóór de zon opkomt, moet je dat in het hart van de prins steken en als zijn warme bloed dan op je voeten druppelt, dan groeien die weer aan elkaar tot een vissenstaart en word jij weer een zeemeermin, en dan kun je weer bij ons onder water komen en kun je driehonderd jaar leven, voor je in zilt zeeschuim zult veranderen. Haast je, hij moet sterven of jij, voordat de zon opkomt! Onze oude oma heeft zo'n verdriet dat haar witte haar is uitgevallen, zoals het onze onder de schaar van de heks is gevallen. Dood de prins en kom terug! Haast je, zie je die rode streep aan de hemel? Over een paar minuten komt de zon op en dan moet je sterven!' Ze slaakten een wonderlijke, diepe zucht en zonken in de golven.

De kleine zeemeermin trok het purperen kleed van de tent weg. Ze zag de mooie bruid met haar hoofd op de borst van de prins liggen slapen en ze boog zich voorover, kuste hem op zijn mooie voorhoofd, keek naar de hemel waar het morgenrood steeds stralender werd, keek naar het scherpe mes en richtte haar ogen toen weer op de prins, die in zijn droom zijn bruid bij haar naam noemde. Zij alleen was in zijn gedachten. En het mes trilde in de hand van de zeemeermin, en toen gooide ze het heel ver de golven in.

De golven gaven een rode weerschijn waar het mes neerkwam, het leek wel of er bloeddruppels van de golven afdropen. Nog een keer keek ze met halfgebroken ogen naar de prins en toen stortte ze zich van het schip af de zee in, en ze voelde hoe haar lichaam in schuim werd opgelost.

De zon steeg op uit de zee, de stralen vielen heel zacht en warm op het ijzig koude zeeschuim, en de kleine zeemeermin voelde de dood niet, ze zag de heldere zon en boven haar zweefden honderden lieflijke, ijle schepsels. Ze kon de witte zeilen van het schip en de rode wolken aan de hemel erdoorheen zien. De stemmen van de lieflijke schepsels waren melodieën, maar zo ijl dat geen menselijk oor ze kon horen, evenmin als een menselijk oog ze kon zien. Zonder vleugels zweefden ze door de lucht, door hun eigen lichtheid.

De kleine zeemeermin zag dat ze net zo'n lichaam had als zij, het kwam steeds meer uit het schuim omhoog. 'Waar ben ik terechtgekomen?' vroeg ze, en haar stem klonk net als die van de andere wezens, zo ijl dat geen aardse muziek het zou kunnen weergeven. 'Bij de dochters van de lucht,' antwoordden de anderen. 'Een zeemeermin heeft geen onsterfelijke ziel en kan die ook niet krijgen, tenzij ze de liefde van een mens wint. Van een vreemde macht is haar eeuwige voortbestaan afhankelijk. De dochters van de lucht hebben ook geen eeuwige ziel, maar ze kunnen er wel één krijgen door goede daden te verrichten. Wij vliegen naar landen waar de zwoele pestlucht de mensen doodt, en daar brengen we koelte. We verspreiden de geur van de bloemen door de lucht en brengen verkwikking en genezing. Als we driehonderd jaar hebben geprobeerd om zoveel goed te doen als we kunnen, dan krijgen we een onsterfelijke ziel en hebben we deel aan het eeuwige geluk van de mensen. Jij, arme, kleine zeemeermin, hebt met je hele hart naar hetzelfde gestreefd als wij. Je hebt geleden en alles verdragen. Je hebt je tot de wereld van de luchtgeesten verheven. Nu kun je jezelf met driehonderd jaar goede daden een onsterfelijke ziel bezorgen.'

De kleine zeemeermin hief haar doorschijnende armen op naar Gods zon en voor het eerst voelde ze tranen. Op het schip was er alweer leven en lawaai, ze zag de prins en zijn mooie bruid, die haar zochten. Weemoedig staarden ze naar het opbollende schuim, alsof ze wisten dat zij zich in de golven had gestort. Onzichtbaar kuste ze het voorhoofd van de bruid, glimlachte naar de prins en steeg met de andere kinderen van de lucht op naar de rozerode wolk die door de lucht zweefde.

'Over driehonderd jaar zweven we het Koninkrijk Gods binnen.'

'Maar we kunnen er ook eerder komen,' fluisterde een van hen. 'Onzichtbaar zweven we de huizen van de mensen binnen, waar kinderen zijn, en iedere dag dat we een braaf kind vinden dat zijn ouders plezier geeft en hun liefde verdient, verkort God onze proeftijd. Het kind weet niet wanneer wij door de kamer vliegen en als we dan van vreugde om het kind glimlachen, wordt er een jaar van de driehonderd afgehaald. Maar als we een stout of slecht kind zien, dan moeten we huilen van verdriet en iedere traan voegt een dag toe aan onze proeftijd!'
En alta mar el agua es azul como los pétalos de la más hermosa centaura, y clara como el cristal más puro; pero es tan profunda, que sería inútil echar el ancla, pues jamás podría ésta alcanzar el fondo. Habría que poner muchos campanarios, unos encima de otros, para que, desde las honduras, llegasen a la superficie.
Pero no creáis que el fondo sea todo de arena blanca y helada; en él crecen también árboles y plantas maravillosas, de tallo y hojas tan flexibles, que al menor movimiento del agua se mueven y agitan como dotadas de vida. Toda clase de peces, grandes y chicos, se deslizan por entre las ramas, exactamente como hacen las aves en el aire. En el punto de mayor profundidad se alza el palacio del rey del mar; las paredes son de coral, y las largas ventanas puntiagudas, del ámbar más transparente; y el tejado está hecho de conchas, que se abren y cierran según la corriente del agua. Cada una de estas conchas encierra perlas brillantísimas, la menor de las cuales honraría la corona de una reina.
Hacía muchos años que el rey del mar era viudo; su anciana madre cuidaba del gobierno de la casa. Era una mujer muy inteligente, pero muy pagada de su nobleza; por eso llevaba doce ostras en la cola, mientras que los demás nobles sólo estaban autorizados a llevar seis. Por lo demás, era digna de todos los elogios, principalmente por lo bien que cuidaba de sus nietecitas, las princesas del mar. Estas eran seis, y todas bellísimas, aunque la más bella era la menor; tenía la piel clara y delicada como un pétalo de rosa, y los ojos azules como el lago más profundo; como todas sus hermanas, no tenía pies; su cuerpo terminaba en cola de pez.
Las princesas se pasaban el día jugando en las inmensas salas del palacio, en cuyas paredes crecían flores. Cuando se abrían los grandes ventanales de ámbar, los peces entraban nadando, como hacen en nuestras tierras las golondrinas cuando les abrimos las ventanas. Y los peces se acercaban a las princesas, comiendo de sus manos y dejándose acariciar.
Frente al palacio había un gran jardín, con árboles de color rojo de fuego y azul oscuro; sus frutos brillaban como oro, y las flores parecían llamas, por el constante movimiento de los pecíolos y las hojas. El suelo lo formaba arena finísima, azul como la llama del azufre. De arriba descendía un maravilloso resplandor azul; más que estar en el fondo del mar, se tenía la impresión de estar en las capas altas de la atmósfera, con el cielo por encima y por debajo.
Cuando no soplaba viento, se veía el sol; parecía una flor purpúrea, cuyo cáliz irradiaba luz.
Cada princesita tenía su propio trocito en el jardín, donde cavaba y plantaba lo que le venía en gana. Una había dado a su porción forma de ballena; otra había preferido que tuviese la de una sirenita. En cambio, la menor hizo la suya circular, como el sol, y todas sus flores eran rojas, como él. Era una chiquilla muy especial, callada y cavilosa, y mientras sus hermanas hacían gran fiesta con los objetos más raros procedentes de los barcos naufragados, ella sólo jugaba con una estatua de mármol, además de las rojas flores semejantes al sol. La estatua representaba un niño hermosísimo, esculpido en un mármol muy blanco y nítido; las olas la habían arrojado al fondo del océano. La princesa plantó junto a la estatua un sauce llorón color de rosa; el árbol creció espléndidamente, y sus ramas colgaban sobre el niño de mármol, proyectando en el arenoso fondo azul su sombra violeta, que se movía a compás de aquéllas; parecía como si las ramas y las raíces jugasen unas con otras y se besasen.
Lo que más encantaba a la princesa era oír hablar del mundo de los hombres, de allá arriba; la abuela tenía que contarle todo cuanto sabía de barcos y ciudades, de hombres y animales. Se admiraba sobre todo de que en la tierra las flores tuvieran olor, pues las del fondo del mar no olían a nada; y la sorprendía también que los bosques fuesen verdes, y que los peces que se movían entre los árboles cantasen tan melodiosamente. Se refería a los pajarillos, que la abuela llamaba peces, para que las niñas pudieran entenderla, pues no habían visto nunca aves.
- Cuando cumpláis quince años -dijo la abuela- se os dará permiso para salir de las aguas, sentaros a la luz de la luna en los arrecifes y ver los barcos que pasan; entonces veréis también bosques y ciudades.
Al año siguiente, la mayor de las hermanas cumplió los quince años; todas se llevaban un año de diferencia, por lo que la menor debía aguardar todavía cinco, hasta poder salir del fondo del mar y ver cómo son las cosas en nuestro mundo. Pero la mayor prometió a las demás que al primer día les contaría lo que viera y lo que le hubiera parecido más hermoso; pues por más cosas que su abuela les contase siempre quedaban muchas que ellas estaban curiosas por saber.
Ninguna, sin embargo, se mostraba tan impaciente como la menor, precisamente porque debía esperar aún tanto tiempo y porque era tan callada y retraída. Se pasaba muchas noches asomada a la ventana, dirigiendo la mirada a lo alto, contemplando, a través de las aguas azuloscuro, cómo los peces correteaban agitando las aletas y la cola. Alcanzaba también a ver la luna y las estrellas, que a través del agua parecían muy pálidas, aunque mucho mayores de como las vemos nosotros. Cuando una nube negra las tapaba, la princesa sabía que era una ballena que nadaba por encima de ella, o un barco con muchos hombres a bordo, los cuales jamás hubieran pensado en que allá abajo había una joven y encantadora sirena que extendía las blancas manos hacia la quilla del navío.
Llegó, pues, el día en que la mayor de las princesas cumplió quince años, y se remontó hacia la superficie del mar.
A su regreso traía mil cosas que contar, pero lo más hermoso de todo, dijo, había sido el tiempo que había pasado bajo la luz de la luna, en un banco de arena, con el mar en calma, contemplando la cercana costa con una gran ciudad, donde las luces centelleaban como millares de estrellas, y oyendo la música, el ruido y los rumores de los carruajes y las personas; también le había gustado ver los campanarios y torres y escuchar el tañido de las campanas.
¡Ah, con cuánta avidez la escuchaba su hermana menor! Cuando, ya anochecido, salió a la ventana a mirar a través de las aguas azules, no pensaba en otra cosa sino en la gran ciudad, con sus ruidos y su bullicio, y le parecía oír el son de las campanas, que llegaba hasta el fondo del mar.
Al año siguiente, la segunda obtuvo permiso para subir a la superficie y nadar en todas direcciones. Emergió en el momento preciso en que el sol se ponía, y aquel espectáculo le pareció el más sublime de todos. De un extremo el otro, el sol era como de oro -dijo-, y las nubes, ¡oh, las nubes, quién sería capaz de describir su belleza! Habían pasado encima de ella, rojas y moradas, pero con mayor rapidez volaba aún, semejante a un largo velo blanco, una bandada de cisnes salvajes; volaban en dirección al sol; pero el astro se ocultó, y en un momento desapareció el tinte rosado del mar y de las nubes.
Al cabo de otro año tocóle el turno a la hermana tercera, la más audaz de todas; por eso remontó un río que desembocaba en el mar. Vio deliciosas colinas verdes cubiertas de pámpanos, y palacios y cortijos que destacaban entre magníficos bosques; oyó el canto de los pájaros, y el calor del sol era tan intenso, que la sirena tuvo que sumergirse varias veces para refrescarse el rostro ardiente. En una pequeña bahía se encontró con una multitud de chiquillos que corrían desnudos y chapoteaban en el agua. Quiso jugar con ellos, pero los pequeños huyeron asustados, y entonces se le acercó un animalito negro, un perro; jamás había visto un animal parecido, y como ladraba terriblemente, la princesa tuvo miedo y corrió a refugiarse en alta mar. Nunca olvidaría aquellos soberbios bosques, las verdes colinas y el tropel de chiquillos, que podían nadar a pesar de no tener cola de pez.
La cuarta de las hermanas no fue tan atrevida; no se movió del alta mar, y dijo que éste era el lugar más hermoso; desde él se divisaba un espacio de muchas millas, y el cielo semejaba una campana de cristal. Había visto barcos, pero a gran distancia; parecían gaviotas; los graciosos delfines habían estado haciendo piruetas, y enormes ballenas la habían cortejado proyectando agua por las narices como centenares de surtidores.
Al otro año tocó el turno a la quinta hermana; su cumpleaños caía justamente en invierno; por eso vio lo que las demás no habían visto la primera vez. El mar aparecía intensamente verde, v en derredor flotaban grandes icebergs, parecidos a perlas -dijo- y, sin embargo, mucho mayores que los campanarios que construían los hombres. Adoptaban las formas más caprichosas y brillaban como diamantes. Ella se había sentado en la cúspide del más voluminoso, y todos los veleros se desviaban aterrorizados del lugar donde ella estaba, con su larga cabellera ondeando al impulso del viento; pero hacia el atardecer el cielo se había cubierto de nubes, y habían estallado relámpagos y truenos, mientras el mar, ahora negro, levantaba los enormes bloques de hielo que brillaban a la roja luz de los rayos. En todos los barcos arriaban las velas, y las tripulaciones eran presa de angustia y de terror; pero ella habla seguido sentada tranquilamente en su iceberg contemplando los rayos azules que zigzagueaban sobre el mar reluciente.
La primera vez que una de las hermanas salió a la superficie del agua, todas las demás quedaron encantadas oyendo las novedades y bellezas que había visto; pero una vez tuvieron permiso para subir cuando les viniera en gana, aquel mundo nuevo pasó a ser indiferente para ellas. Sentían la nostalgia del suyo, y al cabo de un mes afirmaron que sus parajes submarinos eran los más hermosos de todos, y que se sentían muy bien en casa.
Algún que otro atardecer, las cinco hermanas se cogían de la mano y subían juntas a la superficie. Tenían bellísimas voces, mucho más bellas que cualquier humano y cuando se fraguaba alguna tempestad, se situaban ante los barcos que corrían peligro de naufragio, y con arte exquisito cantaban a los marineros las bellezas del fondo del mar, animándolos a no temerlo; pero los hombres no comprendían sus palabras, y creían que eran los ruidos de la tormenta, y nunca les era dado contemplar las magnificencias del fondo, pues si el barco se iba a pique, los tripulantes se ahogaban, y al palacio del rey del mar sólo llegaban cadáveres.
Cuando, al anochecer, las hermanas, cogidas del brazo, subían a la superficie del océano, la menor se quedaba abajo sola, mirándolas con ganas de llorar; pero una sirena no tiene lágrimas, y por eso es mayor su sufrimiento.
- Ay si tuviera quince años! -decía -. Sé que me gustará el mundo de allá arriba, y amaré a los hombres que lo habitan.
Y como todo llega en este mundo, al fin cumplió los quince años. - Bien, ya eres mayor -le dijo la abuela, la anciana reina viuda-. Ven, que te ataviaré como a tus hermanas-. Y le puso en el cabello una corona de lirios blancos; pero cada pétalo era la mitad de una perla, y la anciana mandó adherir ocho grandes ostras a la cola de la princesa como distintivo de su alto rango.
- ¡Duele! -exclamaba la doncella.
- Hay que sufrir para ser hermosa -contestó la anciana.
La doncella de muy buena gana se habría sacudido todas aquellos adornos y la pesada diadema, para quedarse vestida con las rojas flores de su jardín; pero no se atrevió a introducir novedades. - ¡Adiós! - dijo, elevándose, ligera y diáfana a través del agua, como una burbuja.
El sol acababa de ocultarse cuando la sirena asomó la cabeza a la superficie; pero las nubes relucían aún como rosas y oro, y en el rosado cielo brillaba la estrella vespertina, tan clara y bella; el aire era suave y fresco, y en el mar reinaba absoluta calma. Había a poca distancia un gran barco de tres palos; una sola vela estaba izada, pues no se movía ni la más leve brisa, y en cubierta se veían los marineros por entre las jarcias y sobre las pértigas. Había música y canto, y al oscurecer encendieron centenares de farolillos de colores; parecía como si ondeasen al aire las banderas de todos los países. La joven sirena se acercó nadando a las ventanas de los camarotes, y cada vez que una ola la levantaba, podía echar una mirada a través de los cristales, límpidos como espejos, y veía muchos hombres magníficamente ataviados. El más hermoso, empero, era el joven príncipe, de grandes ojos negros. Seguramente no tendría mas allá de dieciséis años; aquel día era su cumpleaños, y por eso se celebraba la fiesta. Los marineros bailaban en cubierta, y cuando salió el príncipe se dispararon más de cien cohetes, que brillaron en el aire, iluminándolo como la luz de día, por lo cual la sirena, asustada, se apresuró a sumergirse unos momentos; cuando volvió a asomar a flor de agua, le pareció como si todas las estrellas del cielo cayesen sobre ella. Nunca había visto fuegos artificiales. Grandes soles zumbaban en derredor, magníficos peces de fuego surcaban el aire azul, reflejándose todo sobre el mar en calma. En el barco era tal la claridad, que podía distinguirse cada cuerda, y no digamos los hombres. ¡Ay, qué guapo era el joven príncipe! Estrechaba las manos a los marinos, sonriente, mientras la música sonaba en la noche.
Pasaba el tiempo, y la pequeña sirena no podía apartar los ojos del navío ni del apuesto príncipe. Apagaron los faroles de colores, los cohetes dejaron de elevarse y cesaron también los cañonazos, pero en las profundidades del mar aumentaban los ruidos. Ella seguía meciéndose en la superficie, para echar una mirada en el interior de los camarotes a cada vaivén de las olas. Luego el barco aceleró su marcha, izaron todas las velas, una tras otra, y, a medida que el oleaje se intensificaba, el cielo se iba cubriendo de nubes; en la lejanía zigzagueaban ya los rayos. Se estaba preparando una tormenta horrible, y los marinos hubieron de arriar nuevamente las velas. El buque se balanceaba en el mar enfurecido, las olas se alzaban como enormes montañas negras que amenazaban estrellarse contra los mástiles; pero el barco seguía flotando como un cisne, hundiéndose en los abismos y levantándose hacia el cielo alternativamente, juguete de las aguas enfurecidas. A la joven sirena le parecía aquello un delicioso paseo, pero los marineros pensaban muy de otro modo. El barco crujía y crepitaba, las gruesas planchas se torcían a los embates del mar. El palo mayor se partió como si fuera una caña, y el barco empezó a tambalearse de un costado al otro, mientras el agua penetraba en él por varios puntos. Sólo entonces comprendió la sirena el peligro que corrían aquellos hombres; ella misma tenía que ir muy atenta para esquivar los maderos y restos flotantes. Unas veces la oscuridad era tan completa, que la sirena no podía distinguir nada en absoluto; otras veces los relámpagos daban una luz vivísima, permitiéndole reconocer a los hombres del barco. Buscaba especialmente al príncipe, y, al partirse el navío, lo vio hundirse en las profundidades del mar. Su primer sentimiento fue de alegría, pues ahora iba a tenerlo en sus dominios; pero luego recordó que los humanos no pueden vivir en el agua, y que el hermoso joven llegaría muerto al palacio de su padre. No, no era posible que muriese; por eso echó ella a nadar por entre los maderos y las planchas que flotaban esparcidas por la superficie, sin parar mientes en que podían aplastarla. Hundiéndose en el agua y elevándose nuevamente, llegó al fin al lugar donde se encontraba el príncipe, el cual se hallaba casi al cabo de sus fuerzas; los brazos y piernas empezaban a entumecérsele, sus bellos ojos se cerraban, y habría sucumbido sin la llegada de la sirenita, la cual sostuvo su cabeza fuera del agua y se abandonó al impulso de las olas.
Al amanecer, la tempestad se había calmado, pero del barco no se veía el menor resto; el sol se elevó, rojo y brillante, del seno del mar, y pareció como si las mejillas del príncipe recobrasen la vida, aunque sus ojos permanecían cerrados. La sirena estampó un beso en su hermosa y despejada frente y le apartó el cabello empapado; entonces lo encontró parecido a la estatua de mármol de su jardincito; volvió a besarlo, deseosa de que viviese.
La tierra firme apareció ante ella: altas montañas azules, en cuyas cimas resplandecía la blanca nieve, como cisnes allí posados; en la orilla se extendían soberbios bosques verdes, y en primer término había un edificio que no sabía lo que era, pero que podía ser una iglesia o un convento. En su jardín crecían naranjos y limoneros, y ante la puerta se alzaban grandes palmeras. El mar formaba una pequeña bahía, resguardada de los vientos, pero muy profunda, que se alargaba hasta unas rocas cubiertas de fina y blanca arena. A ella se dirigió con el bello príncipe y, depositándolo en la playa, tuvo buen cuidado de que la cabeza quedase bañada por la luz del sol.
Las campanas estaban doblando en el gran edificio blanco, y un grupo de muchachas salieron al jardín. Entonces la sirena se alejó nadando hasta detrás de unas altas rocas que sobresalían del agua, y, cubriéndose la cabeza y el pecho de espuma del mar para que nadie pudiese ver su rostro, se puso a espiar quién se acercaría al pobre príncipe.
Al poco rato llegó junto a él una de las jóvenes, que pareció asustarse grandemente, pero sólo por un momento. Fue en busca de sus compañeras, y la sirena vio cómo el príncipe volvía a la vida y cómo sonreía a las muchachas que lo rodeaban; sólo a ella no te sonreía, pues ignoraba que lo había salvado. Sintióse muy afligida, y cuando lo vio entrar en el vasto edificio, se sumergió tristemente en el agua y regresó al palacio de su padre.
Siempre había sido de temperamento taciturno y caviloso, pero desde aquel día lo fue más aún. Sus hermanas le preguntaron qué había visto en su primera salida, mas ella no les contó nada.
Muchas veces a la hora del ocaso o del alba se remontó al lugar donde había dejado al príncipe. Vio cómo maduraban los frutos del jardín y cómo eran recogidos; vio derretirse la nieve de las altas montañas, pero nunca al príncipe; por eso cada vez volvía a palacio triste y afligida. Su único consuelo era sentarse en el jardín, enlazando con sus brazos la hermosa estatua de mármol, aquella estatua que se parecía al guapo doncel; pero dejó de cuidar sus flores, que empezaron a crecer salvajes, invadiendo los senderos y entrelazando sus largos tallos y hojas en las ramas de los árboles, hasta tapar la luz por completo.
Por fin, incapaz de seguir guardando el secreto, lo comunicó a una de sus hermanas, y muy pronto lo supieron las demás; pero, aparte ellas y unas pocas sirenas de su intimidad, nadie más se enteró de lo ocurrido. Una de las amigas pudo decirle quién era el príncipe, pues había presenciado también la fiesta del barco y sabía cuál era su patria y dónde se hallaba su palacio.
- Ven, hermanita -dijeron las demás princesas, y pasando cada una el brazo en torno a los hombros de la otra, subieron en larga hilera a la superficie del mar, en el punto donde sabían que se levantaba el palacio del príncipe.
Estaba construido de una piedra brillante, de color amarillo claro, con grandes escaleras de mármol, una de las cuales bajaba hasta el mismo mar. Magníficas cúpulas doradas se elevaban por encima del tejado, y entre las columnas que rodeaban el edificio había estatuas de mármol que parecían tener vida. A través de los nítidos cristales de las altas ventanas podían contemplarse los hermosísimos salones adornados con preciosos tapices y cortinas de seda, y con grandes cuadros en las paredes; una delicia para los ojos.
En el salón mayor, situado en el centro, murmuraba un grato surtidor, cuyos chorros subían a gran altura hacia la cúpula de cristales, a través de la cual la luz del sol llegaba al agua y a las hermosas plantas que crecían en la enorme pila.
Desde que supo dónde residía el príncipe, se dirigía allí muchas tardes y muchas noches, acercándose a tierra mucho más de lo que hubiera osado cualquiera de sus hermanas; incluso se atrevía a remontar el canal que corría por debajo de la soberbia terraza levantada sobre el agua. Se sentaba allí y se quedaba contemplando a su amado, el cual creía encontrarse solo bajo la clara luz de la luna.
Varias noches lo vio navegando en su preciosa barca, con música y con banderas ondeantes; ella escuchaba desde los verdes juncales, y si el viento acertaba a cogerle el largo velo plateado haciéndolo visible, él pensaba que era un cisne con las alas desplegadas.
Muchas noches que los pescadores se hacían a la mar con antorchas encendidas, les oía encomiar los méritos del joven príncipe, y entonces se sentía contenta de haberle salvado la vida, cuando flotaba medio muerto, a merced de las olas; y recordaba cómo su cabeza había reposado en su seno, y con cuánto amor lo había besado ella. Pero él lo ignoraba; ni en sueños la conocía.
Cada día iba sintiendo más afecto por los hombres; cada vez sentía mayores deseos de subir hasta ellos, hasta su mundo, que le parecía mucho más vasto que el propio: podían volar en sus barcos por la superficie marina, escalar montañas más altas que las nubes; poseían tierras cubiertas de bosques y campos, que se extendían mucho más allá de donde alcanzaba la vista. Había muchas cosas que hubiera querido saber, pero sus hermanas no podían contestar a todas sus preguntas. Por eso acudió a la abuela, la cual conocía muy bien aquel mundo superior, que ella llamaba, con razón, los países sobre el mar.
- Suponiendo que los hombres no se ahoguen -preguntó la pequeña sirena-, ¿viven eternamente? ¿No mueren como nosotras, los seres submarinos?
- Sí, dijo la abuela -, ellos mueren también, y su vida es más breve todavía que la nuestra. Nosotras podemos alcanzar la edad de trescientos años, pero cuando dejamos de existir nos convertimos en simple espuma, que flota sobre el agua, y ni siquiera nos queda una tumba entre nuestros seres queridos. No poseemos un alma inmortal, jamás renaceremos; somos como la verde caña: una vez la han cortado, jamás reverdece. Los humanos, en cambio, tienen un alma, que vive eternamente, aun después que el cuerpo se ha transformado en tierra; un alma que se eleva a través del aire diáfano hasta las rutilantes estrellas. Del mismo modo que nosotros emergemos del agua y vemos las tierras de los hombres, así también ascienden ellos a sublimes lugares desconocidos, que nosotros no veremos nunca.
- ¿Por qué no tenemos nosotras un alma inmortal? -preguntó, afligida, la pequeña sirena-. Gustosa cambiaría yo mis centenares de años de vida por ser sólo un día una persona humana y poder participar luego del mundo celestial.
- ¡No pienses en eso! -dijo la vieja-. Nosotras somos mucho más dichosas y mejores que los humanos de allá arriba.
- Así, pues, ¿moriré y vagaré por el mar convertida en espuma, sin oír la música de las olas, ni ver las hermosas flores y el rojo globo del sol? ¿No podría hacer nada para adquirir un alma inmortal?
- No -dijo la abuela-. Hay un medio, sí, pero es casi imposible: sería necesario que un hombre te quisiera con un amor mas intenso del que tiene a su padre y su madre; que se aferrase a ti con todas sus potencias y todo su amor, e hiciese que un sacerdote enlazase vuestras manos, prometiéndote fidelidad aquí y para toda la eternidad. Entonces su alma entraría en tu cuerpo, y tú también tendrías parte en la bienaventuranza reservada a los humanos. Te daría alma sin perder por ello la suya. Pero esto jamás podrá suceder. Lo que aquí en el mar es hermoso, me refiero a tu cola de pez, en la tierra lo encuentran feo. No sabrían comprenderlo; para ser hermosos, ellos necesitan dos apoyos macizos, que llaman piernas.
La pequeña sirena consideró con un suspiro su cola de pez.
- No nos pongamos tristes -la animó la vieja-. Saltemos y brinquemos durante los trescientos años que tenemos de vida. Es un tiempo muy largo; tanto mejor se descansa luego. Esta noche celebraremos un baile de gala.
La fiesta fue de una magnificencia como nunca se ve en la tierra. Las paredes y el techo del gran salón eran de grueso cristal, pero transparente. Centenares de enormes conchas, color de rosa y verde, se alineaban a uno y otro lado con un fuego de llama azul que iluminaba toda la sala y proyectaba su luz al exterior, a través de las paredes, y alumbraba el mar, permitiendo ver los innúmeros peces, grandes y chicos, que nadaban junto a los muros de cristal: unos, con brillantes escamas purpúreas; otros, con reflejos dorados y plateados. Por el centro de la sala fluía una ancha corriente, y en ella bailaban los moradores submarinos al son de su propio y delicioso canto; los humanos de nuestra tierra no tienen tan bellas voces. La joven sirena era la que cantaba mejor; los asistentes aplaudían, y por un momento sintió un gozo auténtico en su corazón, al percatarse de que poseía la voz más hermosa de cuantas existen en la tierra y en el mar. Pero muy pronto volvió a acordarse del mundo de lo alto; no podía olvidar al apuesto príncipe, ni su pena por no tener como él un alma inmortal. Por eso salió disimuladamente del palacio paterno y, mientras en él todo eran cantos y regocijo, se estuvo sentada en su jardincito, presa de la melancolía.
En éstas oyó los sones de un cuerno que llegaban a través del agua, y pensó: «De seguro que en estos momentos está surcando las olas aquel ser a quien quiero más que a mi padre y a mi madre, aquél que es dueño de todos mis pensamientos y en cuya mano quisiera yo depositar la dicha de toda mi vida. Lo intentaré todo para conquistarlo y adquirir un alma inmortal. Mientras mis hermanas bailan en el palacio, iré a la mansión de la bruja marina, a quien siempre tanto temí; pero tal vez ella me aconseje y me ayude».
Y la sirenita se encaminó hacia el rugiente torbellino, tras el cual vivía la bruja. Nunca había seguido aquel camino, en el que no crecían flores ni algas; un suelo arenoso, pelado y gris, se extendía hasta la fatídica corriente, donde el agua se revolvía con un estruendo semejante al de ruedas de molino, arrastrando al fondo todo lo que se ponía a su alcance. Para llegar a la mansión de la hechicera, nuestra sirena debía atravesar aquellos siniestros remolinos; y en un largo trecho no había mas camino que un cenagal caliente y burbujeante, que la bruja llamaba su turbera. Detrás estaba su casa, en medio de un extraño bosque. Todos los árboles y arbustos eran pólipos, mitad animales, mitad plantas; parecían serpientes de cien cabezas salidas de la tierra; las ramas eran largos brazos viscosos, con dedos parecidos a flexibles gusanos, y todos se movían desde la raíz hasta la punta. Rodeaban y aprisionaban todo lo que se ponía a su alcance, sin volver ya a soltarlo. La sirenita se detuvo aterrorizada; su corazón latía de miedo y estuvo a punto de volverse; pero el pensar en el príncipe y en el alma humana le infundió nuevo valor. Atóse firmemente alrededor de la cabeza el largo cabello flotante para que los pólipos no pudiesen agarrarlo, dobló las manos sobre el pecho y se lanzó hacia delante como sólo saben hacerlo los peces, deslizándose por entre los horribles pólipos que extendían hacia ella sus flexibles brazos y manos. Vio cómo cada uno mantenía aferrado, con cien diminutos apéndices semejantes a fuertes aros de hierro, lo que había logrado sujetar. Cadáveres humanos, muertos en el mar y hundidos en su fondo, salían a modo de blancos esqueletos de aquellos demoníacos brazos. Apresaban también remos, cajas y huesos de animales terrestres; pero lo más horrible era el cadáver de una sirena, que habían capturado y estrangulado.
Llegó luego a un vasto pantano, donde se revolcaban enormes serpientes acuáticas, que exhibían sus repugnantes vientres de color blancoamarillento. En el centro del lugar se alzaba una casa, construida con huesos blanqueados de náufragos humanos; en ella moraba la bruja del mar, que a la sazón se entretenía dejando que un sapo comiese de su boca, de igual manera como los hombres dan azúcar a un lindo canario. A las gordas y horribles serpientes acuáticas las llamaba sus polluelos y las dejaba revolcarse sobre su pecho enorme y cenagoso.
- Ya sé lo que quieres -dijo la bruja-. Cometes una estupidez, pero estoy dispuesta a satisfacer tus deseos, pues te harás desgraciada, mi bella princesa. Quieres librarte de la cola de pez, y en lugar de ella tener dos piernas para andar como los humanos, para que el príncipe se enamore de ti y, con su amor, puedas obtener un alma inmortal -. Y la bruja soltó una carcajada, tan ruidosa y repelente, que los sapos y las culebras cayeron al suelo, en el que se pusieron a revolcarse. - Llegas justo a tiempo -prosiguió la bruja-, pues de haberlo hecho mañana a la hora de la salida del sol, deberías haber aguardado un año, antes de que yo pudiera ayudarte. Te prepararé un brebaje con el cual te dirigirás a tierra antes de que amanezca. Una vez allí, te sentarás en la orilla y lo tomarás, y en seguida te desaparecerá la cola, encogiéndose y transformándose en lo que los humanos llaman piernas; pero te va a doler, como si te rajasen con una cortante espada. Cuantos te vean dirán que eres la criatura humana más hermosa que han contemplado. Conservarás tu modo de andar oscilante; ninguna bailarina será capaz de balancearse como tú, pero a cada paso que des te parecerá que pisas un afilado cuchillo y que te estás desangrando. Si estás dispuesta a pasar por todo esto, te ayudaré.
-Sí -exclamó la joven sirena con voz palpitante, pensando en el príncipe y en el alma inmortal.
- Pero ten en cuenta -dijo la bruja- que una vez hayas adquirido figura humana, jamás podrás recuperar la de sirena. Jamás podrás volver por el camino del agua a tus hermanas y al palacio de tu padre; y si no conquistas el amor del príncipe, de tal manera que por ti se olvide de su padre y de su madre, se aferre a ti con alma y cuerpo y haga que el sacerdote una vuestras manos, convirtiéndoos en marido y mujer, no adquirirás un alma inmortal. La primera mañana después de su boda con otra, se partirá tu corazón y te convertirás en espuma flotante en el agua.
- ¡Acepto! -contestó la sirena, pálida como la muerte.
- Pero tienes que pagarme -prosiguió la bruja-, y el precio que te pido no es poco. Posees la más hermosa voz de cuantas hay en el fondo del mar, y con ella piensas hechizarle. Pues bien, vas a darme tu voz. Por mi precioso brebaje quiero lo mejor que posees. Yo tengo que poner mi propia sangre, para que el filtro sea cortante como espada de doble filo.
- Pero si me quitas la voz, ¿qué me queda? -preguntó la sirena.
- Tu bella figura -respondió la bruja-, tu paso cimbreante y tus expresivos ojos. Con todo esto puedes turbar el corazón de un hombre. Bien, ¿has perdido ya el valor?. Saca la lengua y la cortaré, en pago del milagroso brebaje.
- ¡Sea, pues! -dijo la sirena; y la bruja dispuso su caldero para preparar el filtro.
- La limpieza es buena cosa -dijo, fregando el caldero con las serpientes después de hacer un nudo con ellas; luego, arañándose el pecho hasta que asomó su negra sangre, echó unas gotas de ella en el recipiente. El vapor dibujaba las figuras más extraordinarias, capaces de infundir miedo al corazón más audaz. La bruja no cesaba de echar nuevos ingredientes al caldero, y cuando ya la mezcla estuvo en su punto de cocción, produjo un sonido semejante al de un cocodrilo que llora. Quedó al fin listo el brebaje, el cual tenía el aspecto de agua clarísima.
- Ahí lo tienes -dijo la bruja, y, entregándoselo a la sirena, le cortó la lengua, con lo que ésta quedó muda, incapaz de hablar y de cantar.
- Si los pólipos te apresan cuando atravieses de nuevo mi bosque -dijo la hechicera-, arrójales una gotas de este elixir y verás cómo sus brazos y dedos caen deshechos en mil pedazos -. Pero no fue necesario acudir a aquel recurso, pues los pólipos se apartaron aterrorizados al ver el brillante brebaje que la sirena llevaba en la mano, y que relucía como si fuese una estrella. Así cruzó rápidamente el bosque, el pantano y el rugiente torbellino.
Veía el palacio de su padre; en la gran sala de baile habían apagado las antorchas; seguramente todo el mundo estaría durmiendo. Sin embargo, no se atrevió a llegar hasta él, pues era muda y quería marcharse de allí para siempre. Parecióle que el corazón le iba a reventar de pena. Entró quedamente en el jardín, cortó una flor de cada uno de los arriates de sus hermanas y, enviando al palacio mil besos con la punta de los dedos, se remontó a través de las aguas azules.
El sol no había salido aún cuando llegó al palacio del príncipe y se aventuró por la magnífica escalera de mármol. La luna brillaba con una claridad maravillosa. La sirena ingirió el ardiente y acre filtro y sintió como si una espada de doble filo le atravesara todo el cuerpo; cayó desmayada y quedó tendida en el suelo como muerta. Al salir el sol volvió en sí; el dolor era intensísimo, pero ante sí tenía al hermoso y joven príncipe, con los negros ojos clavados en ella. La sirena bajó los suyos y vio que su cola de pez había desaparecido, sustituida por dos preciosas y blanquísimas piernas, las más lindas que pueda tener una muchacha; pero estaba completamente desnuda, por lo que se envolvió en su larga y abundante cabellera. Le preguntó el príncipe quién era y cómo había llegado hasta allí, y ella le miró dulce y tristemente con sus ojos azules, pues no podía hablar. Entonces la tomó él de la mano y a condujo al interior del palacio. Como ya le había advertido la bruja, a cada paso que daba era como si anduviera sobre agudos punzones y afilados cuchillos, pero lo soportó sin una queja. De la mano del príncipe subía ligera como una burbuja de aire, y tanto él como todos los presentes se maravillaban de su andar gracioso y cimbreante.
Le dieron vestidos preciosos de seda y muselina; era la más hermosa de palacio, pero era muda, no podía hablar ni cantar. Bellas esclavas vestidas de seda y oro se adelantaron a cantar ante el hijo del Rey y sus augustos padres; una de ellas cantó mejor que todas las demás, y fue recompensada con el aplauso y una sonrisa del príncipe. Entristecióse entonces la sirena, pues sabía que ella habría cantado más melodiosamente aún. «¡Oh! -pensó- si él supiera que por estar a su lado sacrifiqué mi voz para toda la eternidad».
A continuación las esclavas bailaron primorosas danzas, al son de una música incomparable, y entonces la sirena, alzando los hermosos y blanquísimos brazos e incorporándose sobre las puntas de los pies, se puso a bailar con un arte y una belleza jamás vistos; cada movimiento destacaba más su hermosura, y sus ojos hablaban al corazón más elocuentemente que el canto de las esclavas.
Todos quedaron maravillados, especialmente el príncipe, que la llamó su pequeña expósita; y ella siguió bailando, a pesar de que cada vez que su pie tocaba el suelo creía pisar un agudísimo cuchillo. Dijo el príncipe que quería tenerla siempre a su lado, y la autorizó a dormir delante de la puerta de su habitación, sobre almohadones de terciopelo.
Mandó que le hicieran un traje de amazona para que pudiese acompañarlo a caballo. Y así cabalgaron por los fragantes bosques, cuyas verdes ramas acariciaban sus hombros, mientras los pajarillos cantaban entre las tiernas hojas. Subió con el príncipe a las montañas más altas, y, aunque sus delicados pies sangraban y los demás lo veían, ella seguía a su señor sonriendo, hasta que pudieron contemplar las nubes a sus pies, semejantes a una bandada de aves camino de tierras extrañas.
En palacio, cuando, por la noche, todo el mundo dormía, ella salía a la escalera de mármol a bañarse los pies en el agua de mar, para aliviar su dolor; entonces pensaba en los suyos, a los que había dejado en las profundidades del océano.
Una noche se presentaron sus hermanas, cogidas del brazo, cantando tristemente, mecidas por las olas. Ella les hizo señas y, reconociéndola, las sirenas se le acercaron y le contaron la pena que les había causado su desaparición. Desde entonces la visitaron todas las noches, y una vez vio a lo lejos incluso a su anciana abuela -que llevaba muchos años sin subir a la superficie- y al rey del mar, con la corona en la cabeza. Ambos le tendieron los brazos, pero sin atreverse a acercarse a tierra como las hermanas.
Cada día aumentaba el afecto que por ella sentía el príncipe, quien la quería como se puede querer a una niña buena y cariñosa; pero nunca le había pasado por la mente la idea de hacerla reina; y, sin embargo, necesitaba llegar a ser su esposa, pues de otro modo no recibiría un alma inmortal, y la misma mañana de la boda del príncipe se convertiría en espuma del mar.
- ¿No me amas por encima de todos los demás? -parecían decir los ojos de la pequeña sirena, cuando él la cogía en sus brazos y le besaba la hermosa frente.
- Sí, te quiero más que a todos -respondía él-, porque eres la que tiene mejor corazón, la más adicta a mí, y porque te pareces a una muchacha a quien vi una vez, pero que jamás volveré a ver. Navegaba yo en un barco que naufragó, y las olas me arrojaron a la orilla cerca de un santuario, en el que varias doncellas cuidaban del culto. La más joven me encontró y me salvó la vida, yo la vi solamente dos veces; era la única a quien yo podría amar en este mundo, pero tú te le pareces, tú casi destierras su imagen de mi alma; ella está consagrada al templo, y por eso mi buena suerte te ha enviado a ti. Jamás nos separaremos.
«¡Ay, no sabe que le salvé la vida -pensó la sirena-. Lo llevé sobre el mar hasta el bosque donde se levanta el templo, y, disimulada por la espuma, estuve espiando si llegaban seres humanos. Vi a la linda muchacha, a quien él quiere más que a mí». Y exhaló un profundo suspiro, pues llorar no podía. «La doncella pertenece al templo, ha dicho, y nunca saldrá al mundo; no volverán a encontrarse pues, mientras que yo estoy a su lado, lo veo todos los días. Lo cuidaré, lo querré, le sacrificaré mi vida».
Sin embargo, el príncipe debía casarse, y, según rumores, le estaba destinada por esposa la hermosa bija del rey del país vecino. A este fin, armaron un barco magnífico. Se decía que el príncipe iba a partir para visitar las tierras de aquel país; pero en realidad era para conocer a la princesa su hija, y por eso debía acompañarlo un numeroso séquito. La sirenita meneaba, sonriendo, la cabeza; conocía mejor que nadie los pensamientos de su señor.
- ¡Debo partir! -le había dicho él-. Debo ver a la bella princesa, mis padres lo exigen, pero no me obligarán a tomarla por novia. No puedo amarla, pues no se parece a la hermosa doncella del templo que es como tú. Si un día debiera elegir yo novia, ésta serías tú, mi muda expósita de elocuente mirada -. La besó los rojos labios, y, jugando con su larga cabellera, apoyó la cabeza sobre su corazón, que soñaba en la felicidad humana y en el alma inmortal.
- ¿No te da miedo el mar, mi pequeñina muda? -le dijo cuando ya se hallaban a bordo del navío que debía conducirlos al vecino reino. Y le habló de la tempestad y de la calma, de los extraños peces que pueblan los fondos marinos y de lo que ven en ellos los buzos; y ella sonreía escuchándolo, pues estaba mucho mejor enterada que otro cualquiera de lo que hay en el fondo del mar.
Una noche de clara luna, cuando todos dormían, excepto el timonel, que permanecía en su puesto, sentóse ella en la borda y clavó la mirada en el fondo de las aguas límpidas. Le pareció que distinguía el palacio de su padre. Arriba estaba su anciana abuela con la corona de plata en la cabeza, mirando a su vez la quilla del barco a través de la rápida corriente. Las hermanas subieron a la superficie y se quedaron también mirándola tristemente, agitando las blancas manos. Ella les hacia señas sonriente, y quería explicarles que estaba bien, que era feliz, pero se acercó el grumete, y las sirenas se sumergieron, por lo que él creyó que aquella cosa blanca que había visto no era sino espuma del mar.
A la mañana siguiente el barco entró en el puerto de la capital del país vecino. Repicaban todas las campanas, y desde las altas torres llegaba el son de las trompetas, mientras las tropas aparecían formadas con banderas ondeantes y refulgentes bayonetas. Los festejos se sucedían sin interrupción, con bailes y reuniones; mas la princesa no había llegado aún. Según se decía, la habían educado en un lejano templo, donde había aprendido todas las virtudes propias de su condición. Al fin llegó a la ciudad.
La sirenita estaba impaciente por ver su hermosura, y hubo de confesarse que nunca había visto un ser tan perfecto. Tenía la piel tersa y purísima, y detrás de las largas y oscuras pestañas sonreían unos ojos azuloscuro, de dulce expresión.
- Eres tú -dijo el príncipe- la que me salvó cuando yo yacía como un cadáver en la costa -. Y estrechó en sus brazos a su ruborosa prometida. - ¡Ah, qué feliz soy! -añadió dirigiéndose a la sirena-. Se ha cumplido el mayor de mis deseos. Tú te alegrarás de mi dicha, pues me quieres más que todos.
La sirena le besó la mano y sintió como si le estallara el corazón. El día de la boda significaría su muerte y su transformación en espuma.
Fueron echadas al vuelo las campanas de las iglesias; los heraldos recorrieron las calles pregonando la fausta nueva. En todos los altares ardía aceite perfumado en lámparas de plata. Los sacerdotes agitaban los incensarios, y los novios, dándose la mano, recibieron la bendición del obispo. La sirenita, vestida de seda y oro, sostenía la cola de la desposada; pero sus oídos no percibían la música solemne, ni sus ojos seguían el santo rito. Pensaba solamente en su próxima muerte y en todo lo que había perdido en este mundo.
Aquella misma tarde los novios se trasladaron a bordo entre el tronar de los cañones y el ondear de las banderas. En el centro del buque habían erigido una soberbia tienda de oro y púrpura, provista de bellísimos almohadones; en ella dormiría la feliz pareja durante la noche fresca y tranquila.
El viento hinchó las velas, y la nave se deslizó, rauda y suave, por el mar inmenso.
Al oscurecer encendieron lámparas y los marineros bailaron alegres danzas en cubierta. La sirenita recordó su primera salida del mar, en la que había presenciado aquella misma magnificencia y alegría, y entrando en la danza, voló como vuela la golondrina perseguida, y todos los circunstantes expresaron su admiración; nunca había bailado tan exquisitamente. Parecía como si acerados cuchillos le traspasaran los delicados pies, pero ella no los sentía; más acerbo era el dolor que le hendía el corazón. Sabía que era la última noche que veía a aquel por quien había abandonado familia y patria, sacrificado su hermosa voz y sufrido día tras día tormentos sin fin, sin que él tuviera la más leve sospecha de su sacrificio. Era la última noche que respiraba el mismo aire que él, y que veía el mar profundo y el cielo cuajado de estrellas. La esperaba una noche eterna sin pensamientos ni sueños, pues no tenía alma ni la tendría jamás. Todo fue regocijo y contento a bordo hasta mucho después de media noche, y ella río y bailó con el corazón lleno de pensamientos de muerte. El príncipe besó a su hermosa novia, y ella acarició el negro cabello de su marido y, cogidos del brazo, se retiraron los dos a descansar en la preciosa tienda.
Se hizo la calma y el silencio en el barco; sólo el timonel seguía en su puesto. La sirenita, apoyados los blancos brazos en la borda, mantenía la mirada fija en Oriente, en espera de la aurora; sabía que el primer rayo de sol la mataría. Entonces vio a sus hermanas que emergían de las aguas, pálidas como ella; sus largas y hermosas cabelleras no flotaban ya al viento; se las habían cortado.
- Las hemos dado a la bruja a cambio de que nos deje acudir en tu auxilio, para que no mueras esta noche. Nos dio un cuchillo, ahí lo tienes. ¡Mira qué afilado es! Antes de que salga el sol debes clavarlo en el corazón del príncipe, y cuando su sangre caliente salpique tus pies, volverá a crecerte la cola de pez y serás de nuevo una sirena, podrás saltar al mar y vivir tus trescientos años antes de convertirte en salada y muerta espuma. ¡Apresúrate! Él o tú debéis morir antes de que salga el sol. Nuestra anciana abuela está tan triste, que se le ha caído la blanca cabellera, del mismo modo que nosotras hemos perdido la nuestra bajo las tijeras de la bruja. ¡Mata al príncipe y vuelve con nosotras! Date prisa, ¿no ves aquellas fajas rojas en el cielo? Dentro de breves minutos aparecerá el sol y morirás-. Y, con un hondo suspiro, se hundieron en las olas.
La sirenita descorrió el tapiz púrpura que cerraba la tienda y vio a la bella desposada dormida con la cabeza reclinada sobre el pecho del príncipe. Se inclinó, besó la hermosa frente de su amado, miró al cielo donde lucía cada vez más intensamente la aurora, miró luego el afilado cuchillo y volvió a fijar los ojos en su príncipe, que en sueños, pronunciaba el nombre de su esposa; sólo ella ocupaba su pensamiento. La sirena levantó el cuchillo con mano temblorosa, y lo arrojó a las olas con un gesto violento. En el punto donde fue a caer pareció como si gotas de sangre brotaran del agua. Nuevamente miró a su amado con desmayados ojos y, arrojándose al mar, sintió cómo su cuerpo se disolvía en espuma.
Asomó el sol en el horizonte; sus rayos se proyectaron suaves y tibios sobre aquella espuma fría, y la sirenita se sintió libre de la muerte; veía el sol reluciente, y por encima de ella flotaban centenares de transparentes seres bellísimos; a su través podía divisar las blancas velas del barco y las rojas nubes que surcaban el firmamento. El lenguaje de aquellos seres era melodioso, y tan espiritual, que ningún oído humano podía oírlo, ni ningún humano ojo ver a quienes lo hablaban; sin moverse se sostenían en el aire, gracias a su ligereza. La pequeña sirena vio que, como ellos, tenía un cuerpo, que se elevaba gradualmente del seno de la espuma.
- ¿Adónde voy? - preguntó; y su voz resonó como la de aquellas criaturas, tan melodiosa, que ninguna música terrena habría podido reproducirla.
- A reunirte con las hijas del aire -respondieron las otras. - La sirena no tiene un alma inmortal, ni puede adquirirla si no es por mediación del amor de un hombre; su eterno destino depende de un poder ajeno. Tampoco tienen alma inmortal las hijas del aire, pero pueden ganarse una con sus buenas obras. Nosotras volamos hacia las tierras cálidas, donde el aire bochornoso y pestífero mata a los seres humanos; nosotras les procurarnos frescor. Esparcimos el aroma de las flores y enviamos alivio y curación. Cuando hemos laborado por espacio de trescientos años, esforzándonos por hacer todo el bien posible, nos es concedida un alma inmortal y entramos a participar de la felicidad eterna que ha sido concedida a los humanos. Tú, pobrecilla sirena, te has esforzado con todo tu corazón, como nosotras; has sufrido, y sufrido con paciencia, y te has elevado al mundo de los espíritus del aire: ahora puedes procurarte un alma inmortal, a fuerza de buenas obras, durante trescientos años.
La sirenita levantó hacia el sol sus brazos transfigurados, y por primera vez sintió que las lágrimas asomaban a sus ojos. A bordo del buque reinaba nuevamente el bullicio y la vida; la sirena vio al príncipe y a su bella esposa que la buscaban, escudriñando con melancólica mirada la burbujeante espuma, como si supieran que se había arrojado a las olas. Invisible, besó a la novia en la frente y, enviando una sonrisa al príncipe, elevóse con los demás espíritus del aire a las regiones etéreas, entre las rosadas nubes, que surcaban el cielo.
- Dentro de trescientos años nos remontaremos de este modo al reino de Dios.
- Podemos llegar a él antes -susurró una de sus compañeras-. Entramos volando, invisibles, en las moradas de los humanos donde hay niños, y por cada día que encontramos a uno bueno, que sea la alegría de sus padres y merecedor de su cariño, Dios abrevia nuestro período de prueba. El niño ignora cuándo entramos en su cuarto, y si nos causa gozo y nos hace sonreír, nos es descontado un año de los trescientos; pero si damos con un chiquillo malo y travieso, tenemos que verter lágrimas de tristeza, y por cada lágrima se nos aumenta en un día el tiempo de prueba.




Vergelijk twee talen:










Donations are welcomed & appreciated.


Thank you for your support.