Kleine Claus en grote Claus


Lille Claus og store Claus


In een dorp woonden eens twee mensen die allebei dezelfde naam hadden: ze heetten allebei Claus, maar de een had vier paarden en de ander had er maar één. Om ze uit elkaar te kunnen houden, noemden de mensen de man die vier paarden had, grote Claus en de man die maar één paard had, kleine Claus. En nu gaan we horen hoe het die twee verging, want dat is een waar verhaal!
Der var i en by to mænd, som begge havde selvsamme navn, begge to hed de Claus, men den ene ejede fire heste og den anden kun en eneste hest; for nu at kunne skille dem fra hinanden, kaldte man ham, som havde fire heste, den store Claus, og ham, som kun havde den ene hest, lille Claus. Nu skal vi høre, hvorledes de to havde det, for det er en virkelig historie!

De hele week moest kleine Claus ploegen voor grote Claus en hem zijn enige paard lenen. Daarna hielp grote Claus hem dan weer met alle vier zijn paarden, maar niet vaker dan één keer in de week, en wel op zondag. Hopsa! Wat liet kleine Claus zijn zweep over alle vijf de paarden knallen; ze waren zo goed als van hem, die ene dag. De zon scheen heerlijk en alle klokken in de kerktoren luidden voor de dienst. De mensen zagen er keurig uit, ze liepen met hun psalmboek onder hun arm naar de kerk om de dominee te horen preken en ze keken naar kleine Claus, die met vijf paarden aan het ploegen was en zo tevreden was dat hij weer met zijn zweep knalde en riep: "Hop, al mijn paarden!"
Hele ugen igennem måtte lille Claus pløje for store Claus, og låne ham sin eneste hest; så hjalp store Claus ham igen med alle sine fire, men kun én gang om ugen, og det var om søndagen. Hussa! hvor smældede lille Claus med sin pisk over alle fem heste, de var jo nu så godt som hans, den ene dag. Solen skinnede så dejligt, og alle klokker i kirketårnet ringede til kirke, folk var så pyntede, og gik med salmebog under armen hen at høre præsten prædike og de så på lille Claus, der pløjede med fem heste, og han var så fornøjet, at han smældede igen med pisken og råbte: "hyp, alle mine heste!"

"Dat mag je niet zeggen," zei grote Claus, "want alleen dat ene paard is maar van jou."
"Det må du ikke sige," sagde store Claus, "det er jo kun den ene hest, der er din!"

Maar als er weer iemand langsliep op weg naar de kerk, vergat kleine Claus dat hij dat niet mocht zeggen en riep: "Hop, al mijn paarden!"
Men da der igen gik nogen forbi til kirke, glemte lille Claus, at han ikke måtte sige det, og råbte da: "hyp, alle mine heste!"

"Nu moet ik je toch verzoeken om dat niet te zeggen," zei grote Claus, "want als je dat nog één keer doet, dan geef ik je paard zo'n klap voor zijn kop dat hij dood neervalt en dan is het afgelopen met hem."
"Ja, nu vil jeg bede dig at lade være!" sagde store Claus, "for siger du det endnu en gang, så slår jeg din hest for panden, så den skal ligge død på stedet, da er det forbi med den!"

"Ik zal het heus niet meer zeggen!" zei kleine Claus. Maar toen er mensen voorbijkwamen en hem gedag zeiden, was hij zo blij en vond hij het zo stoer staan om met vijf paarden zijn land te ploegen, dat hij zijn zweep liet knallen en riep: "Hop, al mijn paarden!"
"Jeg skal såmænd ikke sige det mere!" sagde lille Claus, men da der kom folk forbi, og de nikkede god dag, blev han så fornøjet, og syntes det så dog så rask ud, at han havde fem heste til at pløje sin mark, og så smældede han med pisken, og råbte: "hyp, alle mine heste!"

"Ik zal je paarden laten hoppen," zei grote Claus en hij nam een eind hout en gaf het enige paard van kleine Claus een klap voor zijn kop, zodat het morsdood neerviel.
"Jeg skal hyppe dine heste!" sagde store Claus, og tog tøjrkøllen og slog lille Claus' eneste hest for panden, så at den faldt om, og var ganske død.

"Ooo, nu heb ik helemaal geen paarden meer," zei kleine Claus en hij begon te huilen. Daarna vilde hij het paard, nam de huid, liet hem goed drogen in de wind, stopte hem in een zak, zwaaide die op zijn rug en ging op weg naar de stad om zijn paardenhuid te verkopen.
"Ak nu har jeg slet ingen heste mere!" sagde lille Claus og gav sig til at græde. Siden flåede han hesten, tog huden og lod den godt tørre i vinden, puttede den så i en pose, som han tog på nakken, og gik ad byen til for at sælge sin hestehud.

Hij had een lange weg voor zich. Hij moest door een groot, donker bos, en toen werd het vreselijk slecht weer. Hij verdwaalde helemaal en voor hij weer op de juiste weg was, was het avond. Het was nog veel te ver om in de stad te kunnen komen vóór het nacht zou zijn, maar hij was ook al te ver om vóór het donker weer thuis te zijn.
Han havde sådan en lang vej at gå, skulle igennem en stor mørk skov, og nu blev det et frygteligt ondt vejr; han gik ganske vild, og før han kom på den rette vej, var det aften, og alt for langt til at komme til byen eller hjem igen, før det blev nat.

Dicht bij de weg lag een grote boerderij. De luiken waren al dicht, maar er scheen licht door een kiertje aan de bovenkant. Daar mag ik vast vannacht wel blijven, dacht kleine Claus, en hij klopte aan.
Tæt ved vejen lå der en stor bondegård, skodderne udenfor var skudt for vinduerne, men lyset kunne dog ovenfor skinne ud. Der kan jeg vel få lov at blive natten over, tænkte lille Claus, og gik hen at banke på.

De boerin deed open, maar toen ze hoorde wat hij wilde, zei ze dat hij weg moest gaan. Haar man was niet thuis en zij liet niemand binnen.
Bondekonen lukkede op, men da hun hørte, hvad han ville, sagde hun, at han skulle gå sin vej, hendes mand var ikke hjemme, og hun tog ikke imod nogen fremmede.

"Nou, dan blijf ik wel buiten liggen," zei kleine Claus en de boerin deed de deur voor zijn neus dicht.
"Nå, så må jeg da ligge udenfor," sagde lille Claus, og bondekonen lukkede døren for ham.

Er stond een grote hooiberg vlak bij, en tussen het huis en de hooiberg was een schuurtje gebouwd met een plat dak van stro.
Tæt ved stod en stor høstak, og mellem den og huset var bygget et lille skur med et fladt stråtag.

"Daar ga ik bovenop liggen!" zei kleine Claus, toen hij het dak zag. "Dat is een lekker bed, en die ooievaar komt me heus niet in mijn benen bijten." Want er stond een echte, levende ooievaar op het dak, die daar zijn nest had.
"Der kan jeg ligge oppe!" sagde lille Claus, da han så taget, "det er jo en dejlig seng, storken flyver vel ikke ned og bider mig i benene." For der stod en levende stork oppe på taget, hvor den havde sin rede.

Kleine Claus klom op het schuurtje. Hij lag te draaien tot hij echt lekker lag. De luiken voor de ramen sloten aan de bovenkant niet goed en dus kon hij recht de kamer in kijken.
Nu krøb lille Claus op på skuret, hvor han lå og vendte sig, for at ligge rigtig godt. Træskodderne for vinduerne sluttede ikke oventil, og så kunne han se lige ind i stuen.

Er stond een grote tafel gedekt met wijn en vlees en overheerlijke vis. De boerin en de koster zaten aan tafel en verder helemaal niemand. Ze schonk zijn glas vol en hij viel meteen op de vis aan, want daar hield hij van.
Der var dækket et stort bord med vin og steg og sådan en dejlig fisk, bondekonen og degnen sad til bords og ellers slet ingen andre, og hun skænkede for ham og han stak på fisken, for det var noget han holdt af.

"Als ik toch eens een hapje mee zou kunnen eten!" zei kleine Claus en hij stak zijn hoofd naar voren, helemaal tot aan het raam. Goh, wat een lekkere taart zag hij daar staan! 't Was echt feest daarbinnen!
"Hvem der dog kunne få noget med!" sagde lille Claus, og rakte hovedet lige hen mod vinduet. Gud, hvilken dejlig kage han kunne se stå derinde! Jo, det var gilde!

Toen hoorde hij dat er op de landweg iemand kwam aanrijden, op weg naar het huis. Het was de man van de boerin, die thuiskwam.
Nu hørte han én komme ridende på landevejen hen imod huset, det var bondekonens mand, som kom hjem.

Dat was een beste man, maar hij had een eigenaardige ziekte: hij kon er niet tegen om kosters te zien. Als hij een koster onder ogen kreeg, werd hij woedend. De koster was dan ook bij de vrouw op bezoek gekomen omdat hij wist dat haar man niet thuis was, en die goede vrouw had hem het lekkerste voorgezet dat ze in huis had. Toen ze de man hoorden aankomen schrokken ze erg, en de vrouw vroeg de koster in een grote lege kist te kruipen die in de hoek stond. Hij deed dat, want hij wist immers dat die arme man niet tegen kosters kon. De vrouw verstopte vlug al het lekkere eten en de wijn in haar bakoven, want als de man dat zag zou hij vast vragen wat dat te betekenen had.
Det var sådan en god mand, men han havde den forunderlige sygdom, at han aldrig kunne tåle at se degne; kom der en degn for hans øjne, blev han ganske rasende. Derfor var det også, at degnen var gået ind for at sige god dag til konen, da han vidste manden ikke var hjemme, og den gode kone satte derfor al den dejligste mad, hun havde, for ham; da de nu hørte manden kom, blev de så forskrækkede, og konen bad degnen krybe ned i en stor tom kiste, der stod henne i krogen; det gjorde han, for han vidste jo, at den stakkels mand ikke kunne tåle at se degne. Konen gemte gesvindt al den dejlige mad og vin inde i sin bageovn, for havde manden fået den at se, så havde han nok spurgt, hvad den skulle betyde.

"Ach ja," zuchtte kleine Claus boven op de schuur, toen hij al dat eten zag verdwijnen.
"Ak ja!" sukkede lille Claus oppe på skuret, da han så al maden blive borte.

"Zit daar iemand?" vroeg de boer en keek naar kleine Claus. "Waarom lig je daar? Kom liever mee naar binnen."
"Er der nogen der oppe?" spurgte bondemanden og kiggede op på lille Claus. "Hvorfor ligger du der? kom hellere med ind i stuen!"

Toen vertelde kleine Claus hoe hij verdwaald was en vroeg of hij die nacht mocht blijven.
Så fortalte lille Claus, hvorledes han havde forvildet sig, og bad om han måtte blive natten over.

"Tuurlijk!" zei de boer. "Maar eerst een hapje eten."
"Ja vist!" sagde bondemanden, "men nu skal vi først have lidt at leve af!"

De vrouw ontving ze allebei heel vriendelijk, ze dekte een grote tafel en gaf ze een schaal pap. De boer had honger en hij at met smaak, maar kleine Claus moest maar steeds aan dat lekkere vlees, de vis en de taart denken. Hij wist immers dat dat in de oven stond.
Konen tog meget venlig imod dem begge to, dækkede et langt bord og gav dem et stort fad grød. Bondemanden var sulten og spiste med rigtig appetit, men lille Claus kunne ikke lade være at tænke på den dejlige steg, fisk og kage, han vidste stod inde i ovnen.

Onder de tafel had hij zijn zak met de paardenhuid bij zijn voeten gelegd, want je weet toch nog wel dat hij die van huis had meegenomen om hem in de stad te verkopen. De pap smaakte hem helemaal niet en dus schopte hij tegen de zak en de droge huid in de zak piepte behoorlijk hard.
Under bordet ved sine fødder havde han lagt sin sæk med hestehuden i, for vi ved jo, at det var den han var gået hjemme fra med, for at få den solgt i byen. Grøden ville slet ikke smage ham, og så trådte han på sin pose, og den tørre hud i sækken knirkede ganske højt.

"Stil!" zei kleine Claus tegen zijn zak, maar gaf er meteen weer een schop tegen en de zak piepte nog harder dan eerst.
"Hys!" sagde lille Claus til sin sæk, men trådte i det samme på den igen, så knirkede det meget højere end før.

"Wat heb je in die zak?" vroeg de boer.
"Nej! hvad har du i din pose?" spurgte bonden igen.

"O, dat is een trol," zei kleine Claus. "Hij zegt dat we geen pap hoeven eten, hij heeft de hele oven vol vlees en vis en taart getoverd."
"Oh, det er en troldmand!" sagde lille Claus, "han siger, at vi skal ikke spise grød, han har hekset hele ovnen fuld af steg og fisk og kage."

"Wat zeg je me daar?" zei de boer en deed meteen de oven open, waar hij al het lekkere eten zag dat de vrouw had verstopt; maar hij dacht natuurlijk dat de trol in de zak het te voorschijn had getoverd. De vrouw durfde niets te zeggen, maar zette meteen het eten op tafel en toen aten ze van de vis en het vlees en de taart. Kleine Claus trapte meteen weer op de zak, zodat de huid piepte.
"Hvad for noget!" sagde bonden, og lukkede gesvindt ovnen op, hvor han så al den dejlige mad, konen havde gemt, men som han nu troede, at troldmanden i posen havde hekset til dem. Konen turde ikke sige noget, men satte straks maden på bordet, og så spiste de både af fisken og stegen og kagen. Nu trådte lille Claus på sin pose igen, så huden knirkede.

"Wat zegt hij nu?" vroeg de boer.
"Hvad siger han nu?" spurgte bonden.

"Hij zegt," zei kleine Claus, "dat hij ook drie flessen wijn voor ons heeft getoverd, die staan in de hoek bij de oven." Toen moest de vrouw ook de wijn die ze verstopt had, te voorschijn halen, en de boer begon te drinken en hij werd er vrolijk van. Zo'n trol als kleine Claus in zijn zak had, wilde hij allemachtig graag hebben.
"Han siger," sagde lille Claus, "at han også har hekset tre flasker vin til os, de står henne i krogen ved ovnen!" Nu måtte konen tage vinen frem, hun havde gemt, og bondemanden drak og blev så lystig, sådan en troldmand, som lille Claus havde i posen, ville han da grumme gerne eje.

"Kan hij ook de duivel te voorschijn toveren?" vroeg de boer. "Die zou ik wel eens willen zien, want nu ben ik in een vrolijke bui."
"Kan han også hekse fanden frem?" spurgte bonden, "ham gad jeg nok se, for nu er jeg lystig!"

"Ja," zei kleine Claus. "Mijn trol kan alles wat ik van hem vraag. Nietwaar? Hee," zei hij en hij trapte op de zak dat het piepte. "Hoor je, hij zegt ja. Maar de duivel ziet er zo akelig uit, die kun je maar beter niet zien."
"Ja," sagde lille Claus, "min troldmand kan alt, hvad jeg vil forlange. Ikke sandt du?" spurgte han og trådte på posen, så det knirkede. "Kan du høre, han siger jo? Men fanden ser så fæl ud, det er ikke værd at se ham!"

"O, maar ik ben helemaal niet bang! Hoe zou de duivel er dan wel uit moeten zien?"
"Oh, jeg er slet ikke bange, hvorledes kan han vel se ud?"

"Nou, hij lijkt precies op een koster."
"Ja, han vil vise sig ganske livagtig som en degn!"

"Hu," zei de boer. "Dat moet wel heel akelig zijn. Ik kan helemaal niet tegen kosters, moet je weten. Maar dat geeft niet, als ik toch weet dat het de duivel is. Dan kan ik er beter tegen. Nu durf ik best. Maar hij mag niet te dicht bij mij komen."
"Hu!" sagde bonden, "det var fælt! I må vide, at jeg kan ikke tåle at se degne! men det er nu det samme, jeg ved jo, det er fanden, så finder jeg mig vel bedre i det! Nu har jeg courage! men han må ikke komme mig for nær."

"Ik zal het mijn trol eens vragen," zei kleine Claus, trapte op de zak en luisterde aandachtig.
"Nu skal jeg spørge min troldmand," sagde lille Claus, trådte på posen og holdt sit øre til.

"Wat zegt hij?"
"Hvad siger han?"

"Hij zegt dat we de kist daar in de hoek open moeten maken, dan krijgt u de duivel te zien, die zit daar te koekeloeren, maar u moet het deksel vasthouden, dan kan hij niet ontsnappen."
"Han siger, at I kan gå hen og lukke kisten op, der står i krogen, så vil I se fanden, hvor han kukkelurer, men I må holde på låget at han ikke slipper ud."

"Wil je me helpen om het vast te houden?" vroeg de boer en hij liep naar de kist waar de vrouw de echte koster had verstopt. Die zat te beven van angst.
"Vil I hjælpe mig med at holde på det!" sagde bonden og gik hen til kisten, hvor konen havde gemt den virkelige degn, der sad og var så bange.

De boer deed het deksel een stukje omhoog en keek eronder: "Hu," schreeuwde hij en sprong achteruit. "Ja, ik heb hem gezien, precies onze koster. O, wat verschrikkelijk!"
Bonden løftede låget lidt og kiggede ind under det: "hu!" skreg han, og sprang tilbage. "Jo, nu så jeg ham, han så ganske ud, som vores degn! nej, det var forskrækkeligt!"

Daar moest op gedronken worden en zo dronken ze door tot diep in de nacht.
Det måtte der drikkes på, og så drak de endnu til langt ud på natten.

"Die trol moetje mij verkopen," zei de boer. "Vraag maar wat je wilt, ik geef je er zó een hele schepel geld voor."
"Den troldmand må du sælge mig," sagde bonden, "forlang for den alt, hvad du vil! ja, jeg giver dig straks en hel skæppe penge!"

"Nee, dat kan ik niet doen," zei kleine Claus. "Denk je eens in hoeveel plezier ik van die trol heb!"
"Nej, det kan jeg ikke!" sagde lille Claus, "tænk dog, hvor meget gavn jeg kan have af denne troldmand!"

"Ach, maar ik wil hem zo graag hebben," zei de boer en hij bleef smeken.
"Ak, jeg ville så grumme gerne have den," sagde bonden, og blev ved at bede.

"Goed," zei kleine Claus ten slotte, "omdat jij zo goed bent geweest om mij vannacht een dak boven mijn hoofd te geven mag je hem wel hebben. Je krijgt mijn trol voor een schepel geld, maar dan moet-ie wel boordevol zijn."
"Ja," sagde da lille Claus til sidst, "da du har været så god at give mig husly i nat, så kan det være det samme, du skal få troldmanden for en skæppe penge, men jeg vil have skæppen topfuld."

"Akkoord," zei de boer, "maar die kist daar moet je meenemen, die wil ik geen uur langer in huis hebben. Je kunt nooit weten of hij er nog in zit."
"Det skal du få," sagde bonden, "men kisten derhenne må du tage med dig, jeg vil ikke have den en time i huset, man kan ikke vide, om han sidder deri endnu."

Kleine Claus gaf de boer zijn zak met de gedroogde huid en kreeg er een hele schepel geld voor terug, en niet eens afgestreken. De boer gaf hem ook een grote kruiwagen om het geld en de kist op te vervoeren.
Lille Claus gav bonden sin sæk med den tørre hud i, og fik en hel skæppe penge, og det topmålt, for den. Bondemanden forærede ham endogså en stor trillebør til at køre pengene og kisten på.

"Dag!" zei kleine Claus. En weg reed hij, met zijn geld en de grote kist, waar de koster nog in zat.
"Farvel!" sagde lille Claus, og så kørte han med sine penge og den store kiste, hvori endnu degnen sad.

Aan de andere kant van het bos was een grote, diepe rivier. Het water stroomde zo snel dat je nauwelijks tegen de stroom in kon zwemmen. Ze hadden er een grote, nieuwe brug overheen gebouwd. Midden op die brug bleef kleine Claus staan en zei heel hard, zodat de koster in de kist het zou kunnen horen:
På den anden side af skoven var en stor dyb å, vandet løb så stærkt af sted, at man knap kunne svømme imod strømmen; man havde gjort en stor ny bro derover, lille Claus holdt midt på den, og sagde ganske højt, for at degnen inde i kisten kunne høre det:

"Wat moet ik nou toch met die stomme kist? Hij is zo zwaar, het lijkt wel of er stenen in zitten! Als ik hem nog verder rijd, word ik doodmoe. Ik zal "m maar in de rivier gooien. Als hij dan naar mijn huis drijft, is het goed, en doet hij dat niet, dan heb ik pech gehad."
"Nej, hvad skal jeg dog med den tossede kiste? den er så tung, som der var sten i! jeg bliver ganske træt af at køre den længere, jeg vil derfor kaste den ud i åen, sejler den så hjem til mig, er det godt, og gør den det ikke, så kan det også være det samme."

Toen tilde hij met één hand de kist een beetje op, alsof hij hem in het water wilde gooien.
Nu tog han i kisten med den ene hånd, og løftede lidt på den, ligesom om han ville styrte den ned i vandet.

"Nee, niet doen!" riep de koster in de kist. "Laat me er alsjeblieft uit!"
"Nej lad være!" råbte degnen inde i kisten, "lad mig bare komme ud!"

"Oei!" zei kleine Claus en hij deed net of hij bang werd. "Hij zit er nog in! Dan moet ik hem helemaal meteen in de rivier gooien, dan verdrinkt hij!"
"Hu!" sagde lille Claus, og lod som han blev bange. "Han sidder endnu derinde! så må jeg gesvindt have den ud i åen, at han kan drukne!"

"O nee, o nee!" riep de koster. "Ik geef je een hele schepel geld als je het niet doet!"
"Oh nej, oh nej!" råbte degnen, "jeg vil give dig en hel skæppe penge, vil du lade være!"

"O, dat is een ander verhaal!" zei kleine Claus en hij maakte de kist open. De koster kroop er meteen uit, duwde de lege kist het water in en ging naar zijn huis, waar kleine Claus een hele schepel geld kreeg. Eén had hij er al van de boer gekregen, dus nu had hij zijn kruiwagen vol met geld!
"Ja det er en anden sag!" sagde lille Claus, og lukkede kisten op. Degnen krøb straks ud og stødte den tomme kiste ud i vandet, og gik til sit hjem, hvor lille Claus fik en hel skæppe penge, én havde han jo fået forud af bondemanden, nu havde han da hele sin trillebør fuld af penge!

"Dat paard heb ik goed betaald gekregen!" zei hij bij zichzelf, toen hij weer in zijn eigen kamer stond en al het geld in een grote hoop op de vloer liet vallen. "Wat zal grote Claus op zijn neus kijken als hij te weten komt hoe rijk ik van mijn ene paard ben geworden, maar ik ga het hem toch niet regelrecht vertellen!"
"Se, den hest fik jeg ganske godt betalt!" sagde han til sig selv da han kom hjem i sin egen stue, og væltede alle pengene af i en stor hob midt på gulvet. "Det vil ærgre store Claus, når han får at vide, hvor rig jeg er blevet ved min ene hest, men jeg vil dog ikke lige rent ud sige ham det!"

Hij stuurde een knechtje naar grote Claus om een schepelmaat te lenen.
Nu sendte han en dreng hen til store Claus, for at låne et skæppemål.

"Wat zou hij daarmee moeten?" dacht grote Claus en smeerde de onderkant in met teer, zodat er iets aan zou blijven hangen van wat er gemeten werd. En dat gebeurde ook, want toen hij de schepel terugkreeg, hingen er drie nieuwe zilveren achtstuiverstukken aan.
"Hvad mon han vil med det!" tænkte store Claus, og smurte tjære under bunden for at der kunne hænge lidt ved af det, som måltes, og det gjorde der da også, thi da han fik skæppen tilbage, hang der tre nye sølv-otte-skillinger ved.

"Wat krijgen we nou?" zei grote Claus en hij rende meteen naar kleine Claus. "Waar heb je al dat geld vandaan?"
"Hvad for noget?" sagde den store Claus, og løb straks hen til den lille: "Hvor har du fået alle de mange penge fra?"

"O, gekregen voor die paardenhuid die ik gisteravond heb verkocht."
"Oh det er for min hestehud, jeg solgte den i aftes!"

"Dat is goed betaald," zei grote Claus, rende naar huis, nam een bijl, sloeg alle vier zijn paarden op hun kop, stroopte de huid eraf en reed ermee naar de stad.
"Det var såmænd godt betalt!" sagde store Claus løb gesvindt hjem, tog en økse, og slog alle sine fire heste for panden, trak huden af dem, og kørte med disse ind til byen.

"Huiden, huiden, wie koopt er huiden?" riep hij in de straten.
"Huder! huder! hvem vil købe huder!" råbte han igennem gaderne.

Alle schoenmakers en leerlooiers kwamen aanlopen en vroegen wat hij ervoor wilde hebben.
Alle skomagere og garvere kom løbende, og spurgte, hvad han ville have for dem.

"Een schepel geld per stuk," zei grote Claus.
"En skæppe penge for hver," sagde store Claus

"Ben je gek geworden?" zeiden ze allemaal. "Dacht je dat wij het geld met schepels tegelijk konden uitgeven?"
"Er du gal?" sagde de alle sammen, "tror du, vi have penge i skæppevis?"

"Huiden, huiden, wie koopt er huiden?" riep hij weer, maar iedereen die vroeg wat de huiden kostten, kreeg als antwoord: "Een schepel geld."
"Huder, huder! hvem vil købe huder," råbte han igen, men alle dem, som spurgte, hvad huderne kostede, svarede han: "en skæppe penge."

"Hij houdt ons voor de gek," zeiden ze allemaal en toen namen de schoenmakers hun spanriemen en de leerlooiers hun voorschoten en ze begonnen grote Claus te slaan.
"Han vil gøre nar af os," sagde de alle sammen, og så tog skomagerne deres spanderemme og garverne deres skødskind, og begyndte at prygle på store Claus.

"Huiden, huiden," jouwden ze naar hem, "we zullen je een huid geven, zo rood als van een pasgeboren biggetje! De stad uit met hem!" riepen ze en grote Claus moest heel hard lopen. Nog nooit was hij zo geslagen.
"Huder, huder!" vrængede de af ham, "ja vi skal give dig en hud, der skal spytte røde grise! ud af byen med ham!" råbte de, og store Claus måtte skynde sig alt hvad han kunne, så pryglet havde han aldrig været.

"Nou!" zei hij toen hij thuiskwam. "Dat zal ik kleine Claus betaald zetten. Ik sla hem dood!"
"Nå!" sagde han, da han kom hjem, "det skal lille Claus få betalt, jeg vil slå ham ihjel for det!"

Nu was bij kleine Claus thuis de oude grootmoeder gestorven. Ze was weliswaar heel krengig tegen hem geweest, maar hij was toch tamelijk bedroefd. Hij nam de dode oude vrouw en legde haar in zijn warme bed. Misschien werd ze wel weer levend. Daar moest ze de hele nacht liggen en zelf zou hij in de hoek op een stoel gaan zitten slapen, dat had hij wel vaker gedaan.
Men hjemme hos den lille Claus var den gamle bedstemoder død; hun havde rigtignok været så arrig og slem imod ham, men han var dog ganske bedrøvet, og tog den døde kone og lagde hende i sin varme seng, om hun ikke kunne komme til live igen; der skulle hun ligge hele natten, selv ville han sidde henne i krogen og sove på en stol, det havde han gjort før.

En toen hij daar 's nachts zat, ging de deur open en kwam grote Claus binnen met zijn bijl. Hij wist wel waar het bed van kleine Claus was, liep er recht op af en sloeg toen de dode grootmoeder op haar hoofd, want hij dacht dat het kleine Claus was.
Som han nu sad der om natten, gik døren op og store Claus kom ind med sin økse; han vidste nok, hvor lille Claus' seng var, gik lige hen til den og slog nu den døde bedstemoder for panden, idet han troede, det var lille Claus.

"Ziezo!" zei hij. "Mij hou je niet meer voor de gek!" En toen ging hij weer naar huis.
"Se så!" sagde han, "nu skal du ikke narre mig mere!" og så gik han hjem igen.

"Wat is het toch een schurk!" zei kleine Claus. "Hij wilde me zomaar doodslaan! Wat een geluk voor omaatje dat ze al dood was, anders had hij haar nog vermoord!"
"Det er dog en slem ond mand!" sagde lille Claus, "der ville han slå mig ihjel, det var dog godt for den gamle mutter, hun allerede var død, ellers havde han taget livet af hende!"

Toen deed hij zijn oude grootmoeder haar zondagse kleren aan, leende een paard van zijn buurman, spande dat voor de wagen en zette zijn oude grootmoeder in het zitje achter hem, want ze mocht er niet uit vallen als hij hard reed, en zo reden ze door het bos. Toen de zon opging kwamen ze bij een grote herberg. Daar stopte kleine Claus en hij ging naar binnen om een hapje te eten.
Nu gav han den gamle bedstemoder søndagsklæderne på, lånte en hest af sin nabo, spændte den for vognen og satte den gamle bedstemoder op i det bageste sæde, således at hun ikke kunne falde ud, når han kørte til, og så rullede de af sted igennem skoven; da solen stod op, var de uden for en stor kro, der holdt lille Claus stille, og gik ind for at få noget at leve af.

De herbergier had heel veel geld. Het was ook een beste man, maar zo driftig alsof hij peper in zijn kont had.
Kromanden havde så mange, mange penge, han var også en meget god mand, men hidsig, som der var peber og tobak i ham.

"Goedemorgen," zei hij tegen kleine Claus. "Jij bent vandaag vroeg op pad."
"God morgen!" sagde han til lille Claus, "Du er tidlig kommet i stadsklæderne i dag!"

"Ja," zei kleine Claus, "ik moet naar de stad met mijn oude grootmoeder. Ze zit buiten op de wagen, ik krijg haar niet binnen. Wilt u haar een glas bier brengen? Maar u moet wel hard praten, want ze hoort niet zo best."
"Ja," sagde lille Claus, "jeg skal til byen med min gamle bedstemoder, hun sidder der ude på vognen, jeg kan ikke få hende ind i stuen. Vil I ikke bringe hende et glas mjød, men I må tale lovlig højt, for hun kan ikke godt høre."

"Dat zal ik doen," zei de herbergier, schonk een groot glas bier in en ging daarmee naar de dode grootmoeder, die rechtop in de wagen zat.
"Jo, det skal jeg!" sagde kromanden, og skænkede et stort glas mjød, som han gik ud med til den døde bedstemoder, der var stillet op i vognen.

"Hier, een glas bier van uw kleinzoon," zei de herbergier. Maar de dode vrouw zei natuurlijk geen woord en bleef stil zitten!
"Her er et glas mjød fra hendes søn!" sagde kromanden, men den døde kone sagde da ikke et ord, men sad ganske stille!

"Hoort u me niet?" riep de herbergier zo hard als hij kon. "Hier is een glas bier van uw kleinzoon."
"Hører I ikke!" råbte kromanden lige så højt, han kunne, "her er et glas mjød fra hendes søn!"

Nog een keer riep hij het en toen nog een keer, maar omdat ze zich niet verroerde werd hij boos en gooide haar het glas recht in haar gezicht, zodat het bier haar over de neus liep en zij achterover in de wagen viel, want ze was daar wel neergezet, maar niet vastgebonden.
Endnu engang råbte han det samme og så nok engang, men da hun slet ikke rørte sig ud af stedet, blev han vred og kastede hende glasset lige ind i ansigtet, så mjøden løb hende lige ned over næsen, og hun faldt baglænds om i vognen, for hun var kun stillet op og ikke bundet fast.

"Kijk nou toch eens!" riep kleine Claus, rende de deur uit en greep de herbergier bij zijn kladden. "Nou heb je mijn grootmoeder doodgeslagen! Kijk eens wat een groot gat in haar voorhoofd!"
"Nåda!" råbte lille Claus, sprang ud af døren og tog kromanden i brystet! "der har du slået min bedstemoder ihjel! Vil du bare se, der er et stort hul i hendes pande!"

"Maar dat ging per ongeluk!" riep de herbergier handenwringend. "Dat komt allemaal door mijn drift! Beste brave Claus, ik geef je een hele schepel geld en ik laat je grootmoeder begraven alsof het mijn eigen oma was, maar wil je alsjeblieft niks zeggen, want anders hakken ze mijn hoofd eraf en dat is zo akelig!"
"Oh det var en ulykke!" råbte kromanden og slog hænderne sammen! "det kommer altsammen af min hidsighed! Søde lille Claus, jeg vil give dig en hel skæppe penge og lade din bedstemoder begrave, som om det var min egen, men ti bare stille, for ellers hugger de hovedet af mig, og det er så ækelt!"

Toen kreeg kleine Claus een hele schepel geld en de herbergier begroef de oude grootmoeder alsof het zijn eigen oma was.
Så fik lille Claus en hel skæppe penge, og kromanden begravede den gamle bedstemoder, som det kunne være hans egen.

Toen kleine Claus weer thuiskwam met al dat geld, stuurde hij meteen zijn knechtje naar grote Claus om te vragen of hij de schepelmaat mocht lenen.
Da nu lille Claus kom hjem igen med de mange penge, sendte han straks sin dreng over til store Claus, for at bede, om han ikke måtte låne et skæppemål.

"Wat krijgen we nou?" zei grote Claus. "Heb ik hem niet vermoord? Daar moet ik het mijne van weten!" En dus ging hij met de schepelmaat naar kleine Claus.
"Hvad for noget?" sagde store Claus, "har jeg ikke slået ham ihjel! Da må jeg dog selv se efter," og så gik han selv over med skæppen til lille Claus.

"Tjonge, waar heb je al dat geld vandaan?" vroeg hij en hij sperde zijn ogen open toen hij al het geld zag dat erbij was gekomen.
"Nej hvor har du dog fået alle de penge fra?" spurgte han, og spilede rigtigt øjnene op ved at se alle dem, der var kommet til.

"Je hebt mijn grootmoeder vermoord en niet mij," zei kleine Claus. "Ik heb haar verkocht en er een schepel geld voor gekregen."
"Det var min bedstemoder og ikke mig, du slog ihjel!" sagde lille Claus, "hende har jeg nu solgt og fået en skæppe penge for!"

"Da's goed betaald!" zei grote Claus, ging gauw naar huis, nam een bijl en sloeg zijn oude grootmoeder dood. Hij legde haar in zijn wagen, reed naar de stad waar de apotheker woonde en vroeg of die een dode wilde kopen.
"Det var såmænd godt betalt!" sagde store Claus og skyndte sig hjem, tog en økse og slog straks sin gamle bedstemoder ihjel, lagde hende op i vognen, kørte ind til byen, hvor apotekeren boede, og spurgte, om han ville købe et dødt menneske.

"Wie is het en hoe kom je eraan?" vroeg de apotheker.
"Hvem er det, og hvor har i fået det fra?" spurgte apotekeren.

"Het is mijn grootmoeder," zei grote Claus, "ik heb haar doodgeslagen voor een schepel geld."
"Det er min bedstemoder!" sagde store Claus, "jeg har slået hende ihjel, for en skæppe penge!"

"God bewaar me," zei de apotheker. "Je praat je mond voorbij! Zoiets moet je niet zeggen, want dat kan je je kop kosten!" En toen vertelde hij hem precies wat dat voor iets vreselijks was dat hij had gedaan, wat een slecht mens hij was en dat hij straf had verdiend. Grote Claus schrok daar zo van dat hij meteen in zijn wagen sprong, zijn paarden met de zweep gaf en naar huis vloog. De apotheker en alle mensen dachten dat hij gek was, en ze lieten hem dus maar rijden waarheen hij wilde.
"Gud bevare os!" sagde apotekeren. "I snakker over eder! sig dog ikke sådan noget, for så kan I miste hovedet!" Og nu sagde han ham rigtigt, hvad det var for noget forskrækkeligt ondt, han havde gjort, og hvilket slet menneske han var, og at han burde straffes; store Claus blev da så forskrækket, at han sprang lige fra apoteket ud i vognen, piskede på hestene og fór hjem, men apotekeren og alle folk troede han var gal, og lod ham derfor køre, hvorhen han ville.

"Dat zal ik je betaald zetten!" zei grote Claus toen hij weer de stad uit was. "Ja, dat zal ik je betaald zetten, kleine Claus!" en hij was nog niet thuis of hij nam de grootste zak die hij kon vinden, ging naar kleine Claus en zei: "Je hebt me weer voor de gek gehouden! Eerst heb ik mijn paarden doodgeslagen, toen mijn oude grootmoeder. Het is allemaal jouw schuld, maar nu laat ik me niet meer te grazen nemen!" En hij pakte kleine Claus beet, stopte hem in de zak, nam die op zijn rug en riep: "Ik ga je verdrinken."
"Det skal du få betalt!" sagde store Claus, da han var ude på landevejen! "ja det skal du få betalt, lille Claus!" og nu tog han, så snart han kom hjem, den største sæk, han kunne finde, gik over til lille Claus og sagde, "nu har du narret mig igen! først slog jeg mine heste ihjel, så min gamle bedstemoder! Det er altsammen din skyld, men aldrig skal du narre mig mere," og så tog han lille Claus om livet og puttede ham i sin sæk, tog ham så på nakken og råbte til ham: "Nu går jeg ud og drukner dig!"

Het was een flink eind lopen naar de rivier en kleine Claus was niet zo licht. De weg ging vlak langs de kerk, het orgel speelde en de mensen zongen heel mooi. Dus zette grote Claus de zak met kleine Claus vlak bij de kerkdeur neer en het leek hem wel een goed idee om eerst naar een psalm te gaan luisteren voor hij verder ging: kleine Claus kon er niet uit en alle mensen waren in de kerk, dus ging hij naar binnen.
Det var et langt stykke at gå, før han kom til åen, og lille Claus var ikke så let at bære. Vejen gik lige tæt forbi kirken, orgelet spillede og folk sang så smukt derinde; så satte store Claus sin sæk med lille Claus i tæt ved kirkedøren, og tænkte, det kunne være ganske godt, at gå ind og høre en salme først, før han gik videre: Lille Claus kunne jo ikke slippe ud og alle folk var i kirken; så gik han derind.

"Oei, oei, oei," zuchtte kleine Claus in de zak. Hij woelde en draaide, maar hij kon het touw niet los krijgen. Op dat moment kwam er een stokoude herder voorbij, met krijtwit haar en een stok in zijn hand. Hij dreef een hele kudde koeien en stieren voor zich uit. Ze liepen tegen de zak op waar kleine Claus in zat en die viel om.
"Ak ja! ak ja!" sukkede lille Claus inde i sækken; han vendte sig og vendte sig, men det var ham ikke muligt at få løst båndet op; i det samme kom der en gammel, gammel kvægdriver, med kridhvidt hår og en stor støttekæp i hånden; han drev en hel drift af køer og tyre foran sig, de løb på sækken, som lille Claus sad i, så den væltede.

"Ach," zuchtte kleine Claus, "ik ben nog zo jong en moet nu al naar de hemel."
"Ak ja!" sukkede lille Claus, "jeg er så ung og skal allerede til himmerig!"

"En ik, stakker," zei de herder, "ik ben al zo oud en mag er nog niet in."
"Og jeg stakkel!" sagde kvægdriveren, "er så gammel og kan ikke komme der endnu!"

"Maak de zak open," riep kleine Claus, "en kruip er in mijn plaats in, dan komt u zo in de hemel."
"Luk op for sækken!" råbte lille Claus, "kryb i mit sted derind, så kommer du straks til himmerige!"

"Dat wil ik vreselijk graag," zei de herder en maakte de zak open. Kleine Claus sprong er meteen uit.
"Ja det vil jeg grumme gerne," sagde kvægdriveren og løste op for lille Claus, der straks sprang ud.

"Pas jij op de koeien?" vroeg de oude man en kroop in de zak. Kleine Claus bond hem weer dicht en ging weg met alle koeien en stieren.
"Vil du så passe kvæget," sagde den gamle mand, og krøb nu ind i posen, som lille Claus bandt for, og gik så sin vej med alle køerne og tyrene.

Even later kwam grote Claus uit de kerk. Hij nam de zak weer op zijn rug en vond wel dat die licht was geworden, want de oude herder was niet half zo zwaar als kleine Claus. "Wat is die licht geworden? Dat komt zeker omdat ik een psalm heb gehoord!" Toen ging hij naar de rivier, die heel diep en breed was, gooide de zak met de oude herder in het water en riep hem toe, want hij dacht immers dat het kleine Claus was: "Ziezo, mij hou je niet meer voor de gek!"
Lidt efter kom store Claus ud af kirken, han tog sin sæk igen på nakken, syntes rigtignok at den var bleven så let, for den gamle kvægdriver var ikke mere end halv så tung, som lille Claus! "hvor han er blevet let at bære! ja det er nok fordi jeg har hørt en salme!" så gik han hen til åen, der var dyb og stor, kastede sækken med den gamle kvægdriver ud i vandet og råbte efter ham, for han troede jo, at det var lille Claus: "Se så! nu skal du ikke narre mig mere!"

Toen ging hij op huis aan, maar op de kruising kwam hij kleine Claus tegen die daar met al zijn koeien liep.
Så gik han hjemad, men da han kom hen, hvor vejene krydsede, mødte han lille Claus, som drev af sted med alt sit kvæg.

"Wat krijgen we nou?" vroeg grote Claus. "Heb ik je niet verdronken?"
"Hvad for noget!" sagde store Claus, "har jeg ikke druknet dig?"

"Jawel," zei kleine Claus, "je hebt me een halfuurtje geleden in de rivier gegooid."
"Jo!" sagde lille Claus, "Du kastede mig jo ned i åen for en lille halv time siden!"

"Maar waar heb je al die prachtige koeien vandaan?" vroeg grote Claus.
"Men hvor har du fået alt det dejlige kvæg fra?" spurgte store Claus.

"Dat zijn waterkoeien!" antwoordde kleine Claus. "Ik zal je het hele verhaal vertellen, en trouwens, bedankt dat je me verdronken hebt: nu ben ik boven Jan, nu ben ik echt rijk! Ik was zo bang toen ik in die zak zat en de wind mij om de oren blies, toen je me van de brug af gooide in dat koude water. Ik zonk meteen, maar het deed geen pijn, want daar beneden groeit het mooiste, zachtste gras. Daar kwam ik op neer. De zak ging meteen open en een heel mooie dame, in witte kleren en met een groene krans om haar natte haren, nam me bij de hand en zei: "Ben jij dat, kleine Claus? Hier heb je eerst wat koeien. Maar een mijl verder op de weg staat nog een hele kudde die ik je zal geven!" Toen zag ik dat de rivier een grote landweg was voor de watermensen. Op de bodem liepen en reden ze recht van de zee het land in tot waar de rivier ophoudt. Het was daar zo prachtig, allemaal bloemen en groen gras, en de vissen die in het water zwommen, schoten langs mijn oren als de vogels in de lucht. Wat waren daar 'n aardige mensen en wat waren daar veel koeien. Ze liepen over de wallen en langs de hekken!"
"Det er søkvæg!" sagde lille Claus, "jeg skal fortælle dig den hele historie, og tak skal du også have, fordi du druknede mig, nu er jeg ovenpå, er rigtig rig, kan du tro! Jeg var så bange, da jeg lå inde i sækken, og vinden peb mig om ørene, da du kastede mig ned fra broen i det kolde vand. Jeg sank ligestraks til bunds, men jeg stødte mig ikke, for dernede vokser det dejligste bløde græs. Det faldt jeg på, og straks blev posen lukket op, og den dejligste jomfru, i kridhvide klæder og med en grøn krans om det våde hår, tog mig i hånden, og sagde: 'Er du der lille Claus? der har du for det første noget kvæg! en mil oppe på vejen står endnu en hel drift, som jeg vil forære dig!' Nu så jeg, at åen var en stor landevej for havfolkene. Nede på bunden gik og kørte de lige ud fra søen og helt ind i landet, til hvor åen ender. Der var så dejligt med blomster, og det friskeste græs, og fiskene, som svømmede i vandet, de smuttede mig om ørene, ligesom her fuglene i luften. Hvor der var pæne folk og hvor der var kvæg, det gik på grøfter og gærder!"

"Maar waarom ben je dan meteen weer naar boven gekomen?" vroeg grote Claus. "Dat had ik nooit gedaan als het daar zo heerlijk was."
"Men hvorfor er du straks gået herop til os igen," spurgte store Claus. "Det havde jeg ikke gjort, når der var så nydeligt dernede!"

"Ja, weet je," zei kleine Claus. "Dat is nou juist zo slim van me. Je hoorde me toch wel vertellen dat het meisje in de rivier zei dat er een mijl verder op de weg - en met weg bedoelde ze de rivier, want ergens anders kan ze niet komen - nog een hele kudde voor me stond? Maar ik weet hoe de rivier in bochten gaat, dan eens hier, dan weer daar. Dat is een reuze omweg. Je kunt beter een kortere weg nemen. Ik dacht: ik zal een stuk over land gaan, dan snijd ik bijna een halve mijl af en dan ben ik vlugger bij mijn waterkoeien."
"Jo," sagde lille Claus, "det er just polisk gjort af mig! Du hører jo nok, at jeg siger dig: Havpigen sagde, at en mil oppe på vejen, og ved vejen mener hun jo åen, for andet sted kan hun ikke komme, står endnu en hel drift kvæg til mig. Men jeg ved hvor åen går i bugter, snart her, snart der, det er jo en hel omvej, nej så gør man det kortere af, når man kan det, at komme her op på land og drive tværs over til åen igen, derved sparer jeg jo næsten en halv mil og kommer gesvindtere til mit havkvæg!"

"Jij bent een gelukkig man!" zei grote Claus. "Denk je dat ik ook waterkoeien krijg, als ik op de bodem van de rivier ben?"
"Oh du er en lykkelig mand!" sagde store Claus, "tror du, jeg også får havkvæg, når jeg kommer ned på bunden af åen!"

"Dat zou ik wel denken," zei kleine Claus, "maar ik kan je niet naar de rivier dragen in een zak. Je bent me te zwaar. Wil je er niet zelf heen lopen en dan in de zak kruipen? Dan zal ik je er met alle plezier ingooien."
"Jo, det skulle jeg tænke," sagde lille Claus, "men jeg kan ikke bære dig i sækken hen til åen, du er mig for tung, vil du selv gå der hen og så krybe i posen, så skal jeg med største fornøjelse kaste dig ud."

"Dank je wel!" zei grote Claus. "Maar als ik geen waterkoeien krijg als ik er ben, dan krijg jij klappen, daar kun je van op aan."
"Tak skal du have!" sagde store Claus, "men får jeg ikke havkvæg, når jeg kommer ned, så skal jeg prygle dig, kan du tro!"

"O nee, niet doen!" En ze gingen naar de rivier. Toen de koeien, die dorst hadden, het water zagen, begonnen ze zo hard te rennen als ze konden om te gaan drinken.
"Oh nej! vær ikke så slem!" og så gik de hen til åen. Da kvæget, som var tørstig, så vandet, løb det alt hvad det kunne, for at komme ned at drikke.

"Kijk eens wat een haast!" zei kleine Claus. "Ze willen graag weer de rivier in."
"Se, hvor det skynder sig!" sagde lille Claus; "det længes efter at komme ned på bunden igen!"

"Help mij nou eerst maar," zei grote Claus, "want anders krijg je klappen!" En toen kroop hij in de grote zak, die over de rug van de stieren lag. "Stop er een steen in, want anders ben ik bang dat ik niet zink!" zei grote Claus.
"Ja hjælp nu først mig!" sagde store Claus, "for ellers får du prygl!" og så krøb han i den store sæk, som havde ligget tværs over ryggen på en af tyrene. "Læg en sten i, for ellers er jeg bange jeg ikke synker," sagde store Claus.

"Dat zal wel loslopen," zei kleine Claus, maar hij stopte toch een grote steen in de zak, bond hem stevig dicht en gaf er toen een duw tegen. Plons! Daar lag grote Claus in de rivier en hij zonk meteen.
"Det går nok!" sagde lille Claus, men lagde dog en stor sten i sækken, bandt båndet fast til, og stødte så til den: Plump! der lå store Claus ude i åen og sank straks ned til bunds.

"Ik ben bang dat hij de koeien niet kan vinden!" zei kleine Claus en ging naar huis met alles wat hij had.
"Jeg er bange, han ikke finder kvæget!" sagde lille Claus, og drev så hjem med hvad han havde.